Observator met Kafka als zijn grote voorbeeld

Aanvankelijk schreef Willem G. van Maanen romans, later legde hij zich toe op korte verhalen, waarin hij zijn lezers in de houdgreep nam.

„Ik word steeds overmoediger, ben steeds minder bang om dingen verkeerd te doen”, zei de toen 87-jarige schrijver Willem G. van Maanen vijf jaar geleden. De auteur, vermaard om zijn verhalen en zijn korte romans, overleed vrijdag op 91-jarige leeftijd.

Van Maanen werd naar eigen zeggen „veel geprezen, maar weinig gelezen”. Toen zijn voor de AKO-prijs genomineerde roman Heb lief en zie niet om (2006) een tweede druk kreeg, noemde hij dat „heel bijzonder voor mij”. Dat boek was een oorlogsgeschiedenis. Tijdens de bezetting zat Van Maanen, die op 30 september 1920 in Kampen werd geboren, in de verzetsgroep van Joop Westerweel die persoonsbewijzen vervalste.

Na de oorlog werkte hij onder meer als journalist bij de Wereldomroep. Vanaf zijn debuut Droom is ’t leven in 1953 werkte Van Maanen aan een oeuvre dat uiteindelijk een twintigtal boeken zou omvatten. Aanvankelijk publiceerde Van Maanen alleen romans, later ging hij zich steeds meer toeleggen op korte verhalen, waarin zijn precisie en observatievermogen het best tot zijn recht kwamen. Van Maanen was in staat om zijn lezers in een kort verhaal in de houdgreep te nemen en op te sluiten in het hoofd van een personage, zonder ironische ontsnappingsmogelijkheden. Hij beschouwde Kafka als een groot voorbeeld. Over Elsschot, „toch belangrijk voor mijn soort schrijver”, zei hij dat die nog veel te veel adjectieven gebruikte.

De laatste jaren was de belangstelling voor het werk van Van Maanen groot: ook Een huis van lief en leed (2000) werd genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. In 2004 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs. Twee jaar geleden verscheen Bagatellen, zijn laatste verhalenbundel.