Hulpbudget hoort bij VVD veilig te zijn

Een forse korting op het hulpbudget is niet in het Nederlandse belang en de hulp kan ook niet volledig worden overgelaten aan bedrijven, stellen Oliver van Loo en andere VVD-leden.

Het VVD-verkiezingsprogramma laat weinig over van ontwikkelingssamenwerking. Kortweg is de boodschap: hulp heeft economisch geen zin, de bijdrage aan hulporganisaties moet worden verlaagd of stopgezet, de ontvangende landen zijn corrupt en dus er kan er 3 miljard euro van af, want het bedrijfsleven pakt het wel op. Dit is een forse koerswijziging ten opzichte van het verkiezingsprogramma uit 2010, waarin de VVD stelde dat zij internationaal het hart op de juiste plaats heeft en dat Nederland zijn verantwoordelijkheid moet nemen.

Deze koerswijziging is niet in ons eigen belang. De Nederlandse economie is voor bijna 70 procent afhankelijk van het buitenland en is gebaat bij internationale vrijhandel, vrede en veiligheid. Om de bestaande internationale verplichtingen na te komen en eigen beleid te voeren is bovendien meer nodig dan de 1,5 miljard euro die de VVD eerder heeft voorgesteld. Het is aan de leden van de partij om op 25 augustus op het verkiezingscongres te laten zien dat de VVD zijn hart en hoofd op internationale thema’s nog steeds op de goede plaats heeft.

Ontwikkelingssamenwerking is geen liefdadigheid. De inspanningen van hulporganisaties en hun lokale partners dragen bij aan een stabiele voedingsbodem voor economische groei. Ruim 75 procent van de kinderen in Afrika gaat naar school, het percentage mensen in extreme armoede is gedaald van 52 procent in 1981 naar 22 procent nu en kinderen worden gevaccineerd tegen infectieziekten. Deze inspanningen voorkomen dat er een grote manoeuvreerbare massa van ontevreden mensen ontstaat zonder perspectief, waarmee criminaliteit, gewapende conflicten en grootschalige vluchtelingenstromen worden voorkomen. Ontwikkelingssamenwerking draagt ook bij aan een gezonde en goed opgeleide beroepsbevolking, van groot belang voor economische vooruitgang.

Nederland is afhankelijk van wat er elders in de wereld gebeurt en het is daarom in ons belang om daar een bijdrage aan te leveren. De Nederlandse economie is gebaat bij wereldwijde groei van vrijhandel, vrijheid en democratie. Hulporganisaties en hun lokale partners dragen bij aan de juiste voedingsbodem voor Nederlandse bedrijven zoals DSM, FrieslandCampina en Unilever. Deze Nederlandse bedrijven zijn pioniers op hun vakgebied die in samenwerking met non-profitorganisaties hun beleid wijzigden en nu internationaal vooroplopen op het gebied van duurzaamheid. Dat dankzij de verbeterde omstandigheden nieuwe markten en klanten zijn gecreëerd blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat 41 procent van Unilevers omzet in 2011 (omgerekend zo’n 18,9 miljard euro) afkomstig was uit Afrika en Azië. De stelling dat hulporganisaties niet bijdragen aan economische, sociale of humanitaire situatie van mensen in zuidelijke landen, is dus onjuist.

De toenemende rol van het bedrijfsleven en de opkomst van filantrokapitalisten en impact investors die door middel van investeringen publieke en sociale goederen creëren hebben het speelveld – zoals de VVD stelt – inderdaad veranderd. Meer dan ooit wordt door of met het bedrijfsleven sociale vooruitgang geboekt. De door Vodafone ontwikkelde sms-betaalfunctie MPesa is in Afrika een standaardbetaalwijze geworden voor armen die geen toegang hebben tot het bancaire systeem. Het Acumen Fund, een investeringsmaatschappij met filantropisch kapitaal, verstrekt geen subsidies meer, maar structureert investeringen als participatiemaatschappij. Doel is financieel en maatschappelijk rendement te behalen. Een voorloper was microkrediet: een lening verstrekken indien mogelijk, en pas een gift als het niet anders kan. Deze houding zorgt voor zelfredzaamheid en bijkomend voordeel is dat het geld weer terugkomt en nieuwe publieke sociale goederen kunnen worden gecreëerd.

Toch kan ontwikkelingssamenwerking niet volledig aan de private sector worden overgelaten. Bedrijven en investeringsfondsen beschikken weliswaar over veel middelen en goede intenties, maar hun grootste uitdaging is het vinden van investeringsmogelijkheden die tegelijkertijd goed doen en renderen. Om echt innovatief sociale verandering teweeg te brengen, moeten in onderontwikkelde gebieden eerst nieuwe markten worden gecreëerd. Als een markt er eenmaal is, zullen navolgers de markt betreden. Zo moest de eerste microfinancieringsinstelling 16 jaar lang gesubsidieerd worden, voordat het aanbieden van microkredieten rendabel werd en er een gezonde markt kon ontstaan. Vanuit maatschappelijk oogpunt was het een uitermate efficiënte investering, omdat elke geïnvesteerde euro een enorme impact heeft gehad. Maar voor private investeerders is zo’n investering niet interessant, omdat de vruchten van hun investering door hun concurrent worden geplukt. De investering is hierdoor nooit rendabel te krijgen.

De verschillende stadia van markten en de verschillende rollen die subsidies en investeringen hierin spelen wordt in de discussie nog weleens uit het oog verloren. Men vergeet dan dat microfinanciering heel lang niet rendabel was. Dat Vodafone door het Britse Department for International Development werd gesubsidieerd voor de ontwikkeling van MPesa en dat deze markt in Tanzania voor 4,8 miljoen dollar door de Bill & Melinda Gates Foundation werd ondersteund. Of dat de Afrikaanse groei in sommige landen weliswaar indrukwekkend is, maar zich concentreert in hele specifieke regio’s en markten.

Een forse korting op ontwikkelingssamenwerking is dus niet in ons belang en ontwikkelingssamenwerking kan ook niet volledig worden overgelaten aan de private sector. Bovendien heeft Nederland ook internationale financiële verplichtingen. Deze meerjarige verplichtingen staan voor omstreeks 1,3 miljard euro op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Hiervan worden bijvoorbeeld de kosten van de opvang van asielzoekers en de afdracht aan het Europees Ontwikkelingsfonds betaald. Een forse korting op ontwikkelingssamenwerking zal ertoe leiden dat Nederland vrijwel geen budget meer heeft om ook te investeren in die thema’s waar Nederland toegevoegde waarde heeft, bij kan dragen aan effectieve multilaterale organisaties en bilaterale- en noodhulp kan verstrekken. Daarvoor is meer nodig dan een minimale begroting. Bij uitstek de VVD zou de Nederlandse afspraken in internationaal verband moeten na komen, én daarnaast moeten investeren in eigen beleid en ons eigen belang. Het is aan de leden van de VVD om op 25 augustus hiervoor ruimte te creëren in het verkiezingsprogramma.