Het volk versus de verslaggever

Een burgerjury mag oordelen of weekblad The New Yorker een kunstexpert terecht neerzette als een charlatan.

Zijn goede reputatie dankte Peter Paul Biro aan de documentaire Who the #$&% is Jackson Pollock?, uit 2006. Daarin poeieren keurige kunstkenners een gepensioneerde vrachtwagenchauffeuse af. Zij hoopte dat het schilderijtje, dat zij ooit voor 5 dollar op een vlooienmarkt had gekocht, eigenlijk het werk is van de beroemde Jackson Pollock.

Biro biedt uitkomst. De Canadese ‘forensisch kunstexpert’ vindt een vingerafdruk op het schilderij die overeenkomt met eentje op een pot verf in het atelier van de in 1956 overleden Pollock.

Voor een documentairemaker is het een mooi ‘frame’: een eenvoudige burger neemt het op tegen een hooghartig establishment. Een wetenschapper bepleit het slecht in het voordeel van de vertrapte kleine man – in dit geval een vrouw.

Na de documentaire kreeg Biro vanuit de hele wereld schilderijen toegestuurd die mogelijk van de hand van grote meesters zijn. Door vingerafdrukken wist hij zelfs een portret toe te wijzen aan Leonardo da Vinci.

Dat wekte de interesse van David Grann, van weekblad The New Yorker. Hij zocht Biro op, in zijn huis annex laboratorium, en sprak hem wekenlang op regelmatige basis. Het leverde een prachtig artikel op, van maar liefst 16.000 woorden (ter vergelijking: dit artikel telt 1100 woorden). Pagina na pagina biedt Grann dieper inzicht in werkwijze, motieven en familie-achtergrond van Biro, tot de lezer niet anders kan dan concluderen: de man is een charlatan. En eentje die de soort recht doet: een fantast, onvermoeibaar, listig, charmant, en met een interessant verleden vol kunstvervalsingen.

Biro was niet blij. Hij noemde het artikel ‘kwaadaardig en lasterlijk’ en stapte naar de rechter. Het „portret van de eiser”, stelde zijn advocaat, „heeft geen basis in de werkelijkheid” en is „zeer beschadigend voor eisers reputatie”.

Dat tweede is onomstotelijk juist. Dat eerste niet, zegt The New Yorker, een weekblad met de reputatie feiten grondig te laten natrekken door eigen factcheckers.

Dat Biro het tot een rechtszaak wist te brengen, leek kansloos, dus veel aandacht kregen zijn klachten niet. Maar vorige week kwam de rechter tot een opvallende uitspraak: enkele van de 24 punten die Biro’s advocaat naar voren brengt, vindt de rechter wel degelijk een zaak waard, wat betekent dat Biro binnenkort een jury mag proberen te overtuigen.

Dat was schrikken voor The New Yorker, want jury’s houden niet van journalisten. Zeker niet als een journalist gedwongen is onder ede over zijn werkwijze te vertellen. Net als een slager vegetariërs creëert met verhalen over zijn werk en worsten, schrikken lezers als ze horen hoe het nieuws is verkregen dat ze doorgaans met plezier en interesse lezen.

Neem de grote verontwaardiging onder lezers, ook in Nederland, over de afluisterpraktijken van Britse journalisten. Diezelfde lezers hadden geen klachten toen ze in hun kranten, ook Nederlandse, lazen dat prins Charles graag in een volgend leven terug zou willen komen als tampon van zijn minnares – zoals hij haar in een telefoongesprek vertelde. Hoe dachten die lezers dat die citaten in de krant waren gekomen? Juist.

Lezers vreten het werk van journalisten die mensen te kakken zetten. Maar als een slachtoffer zijn verhaal mag doen, kan die zich verheugen in de sympathie van diezelfde lezers.

Journalisten weten dat. Het tv-programma De leugen regeert ging ten onder omdat te weinig journalisten bereid bleken op te draven om in gesprek te gaan met hun slachtoffer. En als ze dit ergens weten, dan wel bij The New Yorker. Een van de medewerkers, Janet Malcolm, schreef eerder een bejubeld boek, The Journalist and the Murderer (1990), waarin dit het voornaamste inzicht is. Een veroordeelde moordenaar, Jeffrey MacDonald, begint een rechtszaak tegen zijn biograaf. Die had zijn vertrouwen gewonnen met slijmerige brieven. Hij was overtuigd van MacDonalds onschuld, schreef hij, en leefde enorm mee met de veroordeelde. MacDonalds was dankbaar: hij zorgde voor totale toegang – en poeierde andere journalisten af in naam van de exclusiviteit voor zijn biograaf.

Het boek dat de journalist uiteindelijk schreef, Fatal Vision, bleek vervolgens een goedgeschreven portret van een narcistische gek, honderd procent schuldig aan de moord op zijn vrouw. Een bestseller bovendien. Maar eenmaal in de rechtbank was het aan slechts één jurylid te danken dat de auteur niet werd veroordeeld voor laster. Zijn verweer, ‘zo werken alle succesvolle journalisten’, werkte eerder tegen dan voor hem.

Ook Marcel van Roosmalen, columnist van deze krant, weet dat je als journalist beter een discussie over je werkwijze kunt vermijden. Op zijn website beschreef hij vorige week hoe een van zijn slachtoffers, de ex-acrobaat Aad van Toor, enkele bevriende showprogramma’s inschakelde en hoe „de sympathie van het volk” daarna de kant van de ex-acrobaat op „kantelde”.

Van Toor is bekend als Adriaan, van het duo Bassie en Adriaan. De ex-acrobaat vertelde hoe Van Roosmalen te werk was gegaan tijdens een interview dat hij Van Toor had afgenomen in Spanje. Ook in een lange brief liep Van Toor nagenoeg iedere zin en bewering van Van Roosmalen langs om uit te leggen: niet gebeurd, verzonnen, kan niet.

Dit beloofde een confrontatie op niveau te worden, met twee formidabele tegenstanders: de ene een geestige en scherp schrijvende auteur, de ander een razend populaire aangever, niveau Frans van Dusschoten, wiens brief over Van Roosmalens falen weliswaar humorloos is, maar in al zijn details wel overtuigt.

Maar Van Roosmalen dook. Hij zou Van Toor kunnen tegenspreken, schrijft hij op zijn site, maar nee, dat doet hij toch maar niet. En hij schrijft ook: „Je zou ook kunnen zeggen dat iedereen de tegenstander krijgt die hij verdient. In mijn geval is dat dus de acrobaat Adriaan, een man die nu overal zijn tong uitsteekt om te bewijzen dat er geen ijzeren constructie in zijn mond zit zoals ik beweerde. Uw ‘journalist’ – en zet dat woord maar met een gerust hart tussen aanhalingstekens – was zo slim de ogen te sluiten toen hij de acrobaat tot twee keer toe in de mond mocht kijken om met eigen ogen te zien hoe de doctoren zijn tong aan de kaak hadden bevestigd.”

Als je zelf de kwalificatie journalist al tussen aanhalingstekens zet, en daarmee iedere waarheidspretentie laat varen, maak je jezelf van rubber. Klappen kunnen je niet meer raken. Weg confrontatie.

The New Yorker is serieuzer over zijn reputatieverwoestende werk. De hoofdredacteur zegt achter elke letter van het verhaal te blijven staan. Voor hem en Grann is het te hopen dat de jury alle 16.000 woorden van het overtuigende stuk lezen – de rechter heeft het meegestuurd als bewijsmateriaal – en dat ze daarna niet te lang stil staan bij de manier waarop Grann de kennis heeft verkregen om die 16.000 woorden op te schrijven.

Maar Grann loopt een risico. Net als de biograaf van MacDonald heeft Grann het vertrouwen van Biro gewonnen om zijn artikel te kunnen schrijven. Hij dronk wijn met hem en filosofeerde over kennerschap, toewijzingen, en het werk van de grote kunstenaar Leonardo da Vinci. Lezers willen ieder compromitterend en ranzig detail over een hoofdpersoon lezen, maar juist als zo’n hoofdpersoon overtuigend is neergezet als een eerloos sujet is het in het nadeel van de journalist dat hij zoete broodjes met hem heeft gebakken om die details te weten te komen.

De waarheid schrijven is niet genoeg – dat deed de moordenaars biograaf ook. En een oneerlijke, fantaserende en frauderende laboratoriumrat heeft een betere uitgangspositie dan een moordenaar. Al is ook hij geen ex-acrobaat met miljoenen inmiddels opgegroeide kindervrienden.