Het Celibaat, deel 2

Ik vind het moeilijk om u te vertellen wat ik u nu vertellen zal. Mensen in problemen brengen is niet het doel van deze reis of van deze stukjes. Bovendien zou wat ik u wil vertellen opgevat kunnen worden als een of ander bewijs van de totale waardeloosheid van de kerk. Terwijl ik die kerk het liefst een beetje in bescherming zou willen nemen. Niet omdat ik gelovig ben, dat ben ik niet. Maar omdat ik ook niet geloof in wat er voor in de plaats is gekomen. Juist omdat ik niet gelovig ben weet ik hoe weinig dat is, en met welke leegte dat je kan achterlaten.

Lees hier ‘Het celibaat, deel 1’.

Veel van de aardigste, meest wijze mensen die ik heb leren kennen tijdens deze en andere reizen waren broeders en zusters. Ze zorgden voor me, gaven me eten en een bed of gewoon een beetje liefde op het moment dat ik dat het meeste nodig had. Die mensen mogen niet vergeten worden en zijn misschien wel waar het echt om gaat.

En toch wil ik u vertellen wat ik u nu vertellen zal. Omdat dit is wat me overkwam. Omdat het verzwijgen zou voelen als liegen. En omdat ik door wat er gebeurde iets begreep. En wat ik begreep was positief.

Twee dagen bleef ik in de abdij waar ik u vorige keer over vertelde. De laatste avond ontmoette ik broeder Leo, een 76 jarige monnik, in het halletje voor mijn slaapkamer. Ik had hem voor het eerst gezien na het eerste ochtendgebed en eigenlijk had ik het meteen al geweten. Het was iets in zijn ogen, een soort verlekkerde blik. Of vond hij het echt leuk me te zien? “Zo, jij blijft gezellig een paar daagjes bij ons?” had hij gevraagd.

Nu droeg hij een rood T-shirt met in grote letters BRAZIL. Wat het zilveren kruisje dat er overheen hing een beetje maffia maakte. En een onderbroek. “Klaar voor het lopen?” vroeg hij en gaf me een soort klopjes op mijn heupen. Toen deed hij hetzelfde op mijn haar. “Prachtig vol natuurlijk haar.” Of hij het aan mocht raken? “Dat doet u al,” zei ik. Of ik al wist waar ik morgen ging slapen? Nog niet echt. Hij dacht dat hij me wel kon helpen.

Even later klopte hij op mijn deur. Goed nieuws! Hier of op zijn kamer met een biertje? Hier is best, zei ik. Nee, toch maar in zijn kamer, zei hij.
We kwamen door een donkere gang waar de kamers van monniken op uitkomen. Hij gaf weer klopjes op mijn heupen: “Dit lijkt allemaal heel eng, maar het zijn gewoon maar kamers.” Het had wel wat, niet die klopjes, die snapte ik niet zo. Maar de hele situatie, heel clandestien.

Zijn kamer keek uit op de kerk. Twee kamers eigenlijk: eentje met een bed en een eettafel en eentje met een bureau. We namen plaats aan het bureau. Wat hij voor me geregeld had: een vriendelijk bejaard echtpaar dat bevriend is met een vriend van hem. We keken op een kaart en hij probeerde uit te leggen hoe ik er moest komen.

Hij opende twee biertjes en had het al vrij gauw over het celibaat. Het begon met Polen: dat zestig procent van de priesters in dat land dat o zo katholiek zou zijn, een relatie bleek te hebben. Dat had hij gelezen in de krant. En hij vond dat erg. Niet omdat hij vond dat dat niet mocht, maar omdat dat hem nooit was gegund. Voor hem was het celibaat nooit een keuze geweest, celibatair zijn dat moest. En verder werd er nooit over seks gesproken. Zelfs nu niet, met zijn medebroeders. Homoseksualiteit bijvoorbeeld, daar hebben ze het nooit over. Terwijl hij zeker weet dat sommige van zijn medebroeders het zijn.

Maar als je celibatair bent doet het er niet toe op wie je valt toch? vroeg ik. Is het punt van celibatair leven niet dat je je liefde bewaart voor God?
Leo dacht van niet. Zo zou hij er bijvoorbeeld geen moeite mee hebben om mij hier nu te beminnen.

Dus daar lag het dan op tafel. O jee, dacht ik. Wat nu? “Hmmm,” zei ik. Ik wilde hem niet vernederen. “Ik heb al een vriend, dat is eigenlijk net zoiets als een monnik zijn.” En toen stelde ik voor om nog eens op de kaart te kijken.

Toen ik wegging probeerde Leo me te zoenen. “Zal ik zo naar je kamer komen?” vroeg hij.

Ik deed mijn kamerdeur op slot, voor de zekerheid. Niet veel later werd er op geklopt. “Ik slaap al,” zei ik. “Het licht brandt,” zei Leo en hij probeerde de deur te openen.

Ik was niet boos. Ik snap het best, zo’n onderdrukt leven en misschien sowieso: geiligheid. Misschien was het ook een vraag om liefde en om hulp, van een eenzame man? Ik voelde me eigenlijk vooral een beetje schuldig. Had ik dit uitgelokt? Had ik beter moeten weten?

‘s Ochtends was er weer ochtendgebed. Ik hoopte dat broeder Piet vergeten was dat ik beloofd had om mee te gaan, maar om kwart voor zeven stond hij voor mijn deur. Ik wist niet wat hij wist, wat de andere monniken wistten. Ze zaten allemaal op de achterstij rij banken vandaag, ik in mijn eentje daar tegenover, recht voor Leo. Ik keek naar de grond, maakte mijn kruisje en voelde me als de hoer van Babylon. Het hele klooster op stang jagend met mijn vrije moraal. Zachtjes zong ik mee met liedjes over Kinneke Jezus in Jamaima op de Zevende Dag en kon wel kotsen om hoe hypocriet dit was.

Terwijl Piet en ik ontbeten verscheen Leo’s hoofd om de hoek. O, zo vervelend! Het bejaarde koppel had plotseling afgebeld. Want ja, eigenlijk kenden ze mij helemaal niet en waarom ging ik niet gewoon in een jeugdherberg slapen?

En zo liep ik verder naar mijn volgende bestemming. Uitgeput en enigszins in de war, maar vrij! Om te houden van wie ik houden wil, zonder me daar voor te schamen. Om te leven zoals ik wil leven. En met misschien iets van een kriebel in de maag. Want ondanks de lelijke wegen, de flatgebouwen, snackbars en buitenwijken die ik de afgelopen weken heb gezien, is dat ook iets wat nu, deze tijd, heeft mogelijk gemaakt. Al ging de wereld in een hoop opzichten achteruit, in sommige opzichten is hij vooruit gegaan

Al was ik het er toen niet mee eens, ik snap nu wat Broeder Marcus van de Broeders van Huijbergen ons probeerde te zeggen: tijden veranderen en dat is niks om nostalgisch over te doen, dat geeft mogelijkheid! Om dingen aan te passen, om beter te worden. Het heden is niet perfect, maar het verleden was dat ook niet. Dingen mogen en kunnen opnieuw worden uitgevonden. En hoe spannend is dat?

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.