Column

Fotoalbums

De vraag begint alweer prangend te worden: wat doen we met onze vakantiefoto’s? Het hele zootje digitaal opslaan of toch maar een selectie afdrukken en keurig verzamelen in zo’n lijvig fotoalbum?

Voor veel mensen, vooral jongeren, is dat al geen dilemma meer, zij kiezen voor digitaal, maar de ouderen ervaren dit soms nog als een te ingrijpende breuk met het verleden. Zij hebben hun hele picturale hebben en houden opgeslagen in dikke ringbanden.

Op de tentoonstelling Album Beauty van Erik Kessels in het Amsterdamse Foam kunnen we zien waar dat toe kan leiden: een kerkhof van afgedankte albums, ideaal materiaal voor een verzamelaar als Kessels. Vooral die berg opeengestapelde albums, halverwege de tentoonstelling, maakte veel indruk op me. Het lijkt het failliet van een illusie, een afrekening met onze bewaarzucht. Maar is dat zo?

Waarom zijn deze albums op de rommelmarkten terechtgekomen waar Kessels ze oppikte? De albums blijken soms niet ouder dan twintig, dertig jaar. De schrijver Gustaaf Peek constateert in de Volkskrant dat de tentoonstelling het impliciete verzet toont „dat mensen plegen tegen het confronterende verleden door hun oude foto’s weg te doen”. Hij geeft geen voorbeelden, maar ik vermoed dat hij vooral doelt op relatieproblemen en fysiek verval. Dat is geweest, of daar is toch niks meer aan te doen – weg ermee.

Peek heeft gelijk, dat zal zeker in een aantal gevallen een motief zijn. Maar zijn ze representatief? Ik vermoed dat de dood de hoofdschuldige is van die reusachtige berg fotoalbums. Want de nabestaanden, die zitten er maar mee.

Ik heb navraag gedaan bij mijn vrouw, berucht fotocollectioneur. Zij begint binnenkort haar 27ste familiealbum samen te stellen. Ze fotografeert digitaal, maar bewaart analoog. Haar kinderen zullen er ooit met een wanhopig makende mengeling van weemoed en ontsteltenis naar kijken. Waar moeten ze het allemaal laten? Ik vermoed dat de weemoed nog de doorslag zal geven, maar ook bij hún kinderen? Daar mag je niet op rekenen.

Toch wil ik een pleidooi houden voor het vermaledijde fotoalbum. Net als Kessels en Peek, die erop wijzen dat de digitale opslag ook zijn schaduwzijde heeft. „De sites waarop ze zijn ondergebracht verdwijnen”, zegt Kessels, „of de computer gaat naar de filistijnen of een harde schijf wordt een overbodig iets.”

Precies. Dan zijn we weer af bij heel vroeger, toen er in gewone gezinnen bijna geen foto’s werden genomen. Uit mijn jeugd resteert maar een handvol foto’s, terwijl van mijn kleinkinderen – ik klaag niet, ik stel vast – álles wordt vastgelegd, van het eerste lachje tot de laatste braakneiging. Dat gebrek aan fotomateriaal over haar verleden was voor mijn vrouw zelfs reden om aan die verbluffende verzameling te beginnen.

En met succes. Ik hoef maar een van die eerste albums door te bladeren om de onvervangbaarheid ervan te begrijpen. We schrijven 1962, een groep enthousiaste Brabantse jongens en meisjes van tegen de twintig gaat op georganiseerde reis naar Oostenrijk; de meesten zijn voor het eerst in het buitenland. Het is niet zomaar een album, het is een in zwart-wit gevat tijdsbeeld. Brave jongeren nog, geen drank of disco te bekennen, ze liepen van berghut naar berghut en dichtten aan het einde van de dag: Moe, maar voldaan, kropen we in bed/ Wat zou ons morgen worden voorgezet?

Gelukkig zijn ze niet allemaal zo braaf gebleven.