Birma censureert nu gewoon achteraf

In Birma is de perscensuur na 48 jaar opgeven. Het land lijkt op weg naar een volwassen democratie, al blijven er reserves.

Redacteur Azië

Rotterdam. De regering van de Birmese president Thein Sein wekt zowel tegenover de eigen burgers als tegenover buitenlanders graag de indruk dat het land hard op weg is een volwassen democratie te worden. Het besluit gisteren de perscensuur op te heffen, die al sinds 1964 van kracht was, getuigt daarvan.

Birmese journalisten verwelkomden het besluit als een belangrijke stap. Niet langer hoeven ze hun artikelen vooraf te laten goedkeuren door de autoriteiten. Er komt meer persvrijheid binnen bereik in een land dat vorig jaar nog op plaats 169 (van de 179) eindigde op de internationale ranglijst voor persvrijheid van Reporters without Borders. Het afgelopen jaar waren journalisten al voorzichtig op zoek gegaan naar de grenzen van de vrijheid van meningsuiting onder het nieuwe bewind. Ze konden al veel meer bespreken dan voor het aantreden van Thein Sein.

Maar velen uitten ook reserves. Net als bij eerdere hervormingen blijft de vraag of de regering nu echt bereid is de teugels te laten vieren. Veelzeggend is dat de Raad van de Censuur haar deuren nog niet sluit. Voortaan doet ze haar werk gewoon achteraf. Taboe blijven bijvoorbeeld artikelen over bestuurlijke corruptie of over wangedrag van militairen. Er blijven ook wetten van kracht die het mogelijk maken journalisten zonder omhaal op te pakken of publicaties te verbieden.

Dat laatste gebeurde begin juni nog na het uitbreken van de onlusten tussen de boeddhistische meerderheid en de islamitische minderheid van de Rohingya’s in de westelijke provincie Rakhine. De regering wenste hierover zo min mogelijk berichtgeving in de kranten. Het blad Snap Shot, dat een foto afdrukte van het lijk van een boeddhistisch meisje dat door Rohingya’s zou zijn verkracht en vermoord, werd prompt verboden. Het verspreiden van zulke afbeeldingen kon de animositeit verder aanwakkeren, meenden de autoriteiten. Niet geheel ten onrechte, gelet op de giftige commentaren op Rohingya’s die meteen op internet begonnen te circuleren na publicatie van de foto.

De kwestie van de onlusten is inmiddels een lakmoesproef van het democratische gehalte van het hedendaagse Birma geworden. Volgens de regering zijn er 80 doden gevallen, volgens andere schattingen een veelvoud daarvan. Zo’n 100.000 Rohingya’s, die door Birma niet worden erkend als staatsburgers, ook al wonen ze vaak al generaties lang in Birma, hebben hun woningen verloren en verblijven in kampen, vaak met weinig voedsel.

De regering stuurde in juni extra troepen naar Rakhine om de orde te herstellen. Dat lukte, maar naar verluidt traden de militairen, zelf hoofdzakelijk boeddhistische Birmezen, veel harder op tegen de Rohingya’s dan tegen de lokale boeddhisten. Veel Birmezen beschouwen de Rohingya’s als illegale immigranten uit het buurland Bangladesh. Ook president Thein Sein stond niet onbevangen tegenover de circa 800.000 Rohingya’s in zijn land. Los de zaak maar op door de Rohingya’s naar andere landen over te brengen, opperde hij. Oppositieleider Aung San Suu Kyi, winnares van de Nobelprijs voor de vrede, heeft trouwens evenmin ooit sympathie voor de Rohingya’s getoond.

Birma kreeg na de onlusten kritiek van de Organisatie voor Islamitische Samenwerking en ook de speciale VN-rapporteur Tomas Ojea Quintana riep op tot een grondig, onafhankelijk onderzoek. Eind vorige week gaf de regering hieraan gehoor. Thein Sein stelde een commissie aan met gerespecteerde leden uit verschillende sectoren van de samenleving. Medio volgende maand al moet ze verslag bij hem uitbrengen.

Net als over de persvrijheid is inzake de Rohingya’s vaak moeilijk te bepalen of de regering, veelal voormalige generaals, werkelijk van goede wil is. Maakt ze slechts fouten door onervarenheid of is ze achter de schermen bewust veel repressiever dan ze zich tegenover de eigen bevolking en het buitenland voordoet?