'1 op de 20 veteranen heeft stress-syndroom'

De aanleiding

In het NOS Journaal van 11 augustus was een item te zien over een veteraan met een speciale hulphond. Hij wekte de man als die een nachtmerrie had of trok hem uit een menigte als de man een paniekaanval kreeg. De veteraan leed aan PTSS – een posttraumatische stress-stoornis. Volgens het journaal hebben 7.000 Nederlandse uitgezonden militairen last van deze stoornis, met paniekaanvallen en herbelevingen van schokkende gebeurtenissen. 1 op de 20 veteranen kampt met PTSS, vertelde de nieuwslezer. Klopt dat?

Waar is het op gebaseerd?

Volgens het Veteraneninstituut zijn er 140.000 veteranen. Dat zijn 110.000 ex-veteranen en 30.000 actieve veteranen. Als je zegt dat 5 procent van de 140.000 veteranen PTSS heeft, kom je op 7.000 uit, dat is inderdaad 1 op de 20.

Maar volgens Defensie zijn de cijfers niet zo zwart-wit. Een woordvoerder vertelt dat er tientallen onderzoeken zijn gedaan, in binnen- en buitenland. Uit al die studies komen vrijwel altijd dezelfde percentages. En daarom hanteert Defensie (net als de Stichting Centrum ’45, die de trauma’s behandelt) de volgende vuistregel:

20 procent van de militairen heeft bij terugkeer enigerlei vorm van klachten, psychisch of lichamelijk van aard. Variërend van lichte ongemakken tot klachten waarvoor hulp gezocht wordt. Ongeveer de helft van de klachten is psychisch. Een groot deel gaat binnen de eerste drie maanden na terugkeer vanzelf over.

10 procent heeft behandeling nodig. Variërend van kortstondige medische behandeling tot langduriger psychische hulp.

In ongeveer 5 procent van de gevallen blijkt, na vraaggesprekken, sprake van PTSS. Het merendeel van de mensen reageert goed op behandeling.

Ongeveer 1 à 2 procent van hen blijft klachten houden en heeft langdurige begeleiding nodig.

Hoe is er gemeten?

De woordvoerder van Defensie zegt dat de bovengenoemde cijfers wat kunnen afwijken „afhankelijk van welk onderzoek men citeert”. Er zijn tal van onderzoeken. We halen er één aan: Deployment-related stress and trauma in Dutch soldiers returning from Iraq, in 2007 gepubliceerd in The British Journal of Psychiatry. Een van de auteurs is Iris Engelhard, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit Utrecht.

Aan het onderzoek deden 479 Nederlandse militairen mee die in 2004 en 2005 werden uitgezonden naar Irak. De militairen werden getest vóór de uitzending, ongeveer vijf maanden daarna en vijftien maanden daarna. Ze moesten een vragenlijst invullen en de onderzoekers namen een diagnostisch interview bij hen af. De diagnose PTSS werd gesteld bij 3,5 procent van de militairen.

En, klopt het?

Dat hangt ervan af. Allereerst maakt het uit hoe je meet. In de studie van Engelhard werden militairen onderworpen aan een diagnostisch interview. Daaruit bleek dat 3,5 procent van de militairen PTSS had. Maar als de onderzoekers de diagnose enkel baseerden op de vragenlijst, leek 11 procent de symptomen van PTSS te hebben. Daarover zei Engelhard in 2007 tegen Trouw dat het gebruik van alleen vragenlijsten kan leiden tot een overschatting van gezondheidsproblemen: symptomen kunnen wijzen op een stoornis, maar dat hoeft helemaal niet. „De grootste afwijking ontstaat door het aanstrepen van klachten die niet specifiek zijn voor PTSS, zoals moeite met slapen, concentratieproblemen en prikkelbaarheid.”

De vraag is ook wat we onder PTSS verstaan. De aandoening valt onder de angststoornissen en ontstaat door ernstige stressvolle situaties. De symptomen zijn herbeleving (nachtmerries of flashbacks), vermijding van herinneringen, emotionele uitschakeling hiervan, ernstige prikkelbaarheid en slaapstoornissen, extreme spanning als gevolg van bepaalde prikkels, irritatie en hevige schrikreacties.

Als iemand klachten heeft, wil dat nog niet zeggen dat er sprake is van een stress-stoornis. „Iemand kan ondanks herbelevingen en nachtmerries toch goed functioneren”, zegt Engelhard in Trouw. Van een stoornis is pas sprake als ze iemands functioneren belemmeren. Bovendien kunnen klachten ook te maken hebben met ingrijpende levensgebeurtenissen die niet traumatisch zijn of met de uitzending te maken hebben.

De woordvoerder van Defensie vertelt dat PTSS een „hele specifieke aandoening is”, maar de term wordt volgens haar „nog vaak oneigenlijk gebruikt als verzamelnaam voor allerlei verschillende psychische problemen.” PTSS is een containerbegrip, zegt onderzoeker Arthur Rademaker van Prismo, dat stress bij militairen onderzoekt. In de Defensiekrant zei hij onlangs: „Uit het overzicht blijkt dat uitgezonden militairen een scala aan klachten kunnen ervaren die je onder PTSS zou kunnen scharen.”

Je kunt hieruit concluderen dat de cijfers lager uitvallen als je alleen de veteranen meetelt die écht aan alle criteria voor PTSS voldoen. De telling is ook afhankelijk van het tijdsbestek. Veteranen hebben de stoornis vrijwel nooit levenslang. Het is ook niet zo dat PTSS zich meteen openbaart. Dat kan ook jaren later gebeuren. Mensen kunnen kort maar ook lang last hebben van de stoornis. Het is dus zeer onwaarschijnlijk dat 7.000 militairen op dit moment, zoals het journaal schetst, aan PTSS lijden. Zeker als we er rekening mee houden dat het om een tijdvak gaat van zestig jaar (de eerste vredesmissies dateren uit de jaren vijftig) waarin de 140.000 veteranen zijn uitgezonden.

Conclusie

De 5 procent uit het NOS Journaal (die 7.000 mensen) is te kort door de bocht. Uit studie van Engelhard, met de strikte definitie, blijkt dat 3,5 procent van de militairen last heeft van PTSS na een vredesmissie. Als we de vuistregel hanteren, blijkt dat 5 procent er last van heeft. We zouden kunnen concluderen dat 4.900 tot 7.000 veteranen ooit in hun leven een vorm van PTSS hebben gehad. Omdat het om een tijdvak van zestig jaar gaat, betreft het gemiddeld 82 tot 116 militairen per jaar. Stel dat mensen gemiddeld 10 jaar PTSS hebben, dan zijn dat dus ongeveer gemiddeld 1.000 gevallen per jaar.

Maar er is een aantal onzekere factoren. Zo kunnen mensen ook pas jaren later last hebben van deze stoornis. En dan zijn er nog PTSS-gevallen die zich nooit melden met hun klachten. Hoe groot deze laatste groep is weten we niet.

Al met al ligt het aantal veteranen dat op dit moment de diagnose PTSS heeft eerder rond de 1.000 en niet rond de 7.000. Hoeveel veteranen de stoornis werkelijk hebben weten we niet. Al met al beoordelen we de stelling als ongefundeerd.