Klamme damp

Goed: je weet dat het warm wordt. Echt warm. Echt heel warm. Maar zodra je ’s ochtends het festivalterrein oploopt, begrijp je: dit is rondbanjeren in de adem van Satan. De zon schroeit op je schouders en slierten mensen zitten dicht op elkaar in de dunne reepjes schaduw naast muren en schuttingen.

En dan begint het zweten.

Ik bezocht Lowlands maar voor één dag, dus mijn herinnering aan een ochtenddouche was nog vers. Toch was om twaalf uur ’s middags alle bewijs dat zoiets ooit had plaatsgevonden verdwenen. Er was zweet. Zoveel zweet. Ik zat op een stoel, door de hitte van alle wil beroofd, terwijl ik af en toe mijn wijsvinger als een soort ruitenwisser gebruikte om het zweet onder mijn ogen, het zweet in het kuiltje onder mijn onderlip en mijn steeds terugkerende zweetsnor weg te vegen. Ik probeerde in het decolleté van mijn eigen hemdje te blazen bij wijze van menselijke fan – wat kan werken, behalve dat mijn adem zo warm was dat het voelde alsof ik een soort mini-föhn op mezelf richtte.

Ondertussen keek ik naar de mensenmassa die op de paden voorbij stommelde: overal blote basten, geëxposeerde oksels, naakte buiken. Ik dacht aan hoe het zou zijn in die massa, aan het contact tussen mijn klamme bovenarm en een andere klamme bovenarm, aan het per ongeluk langs een blote rug strijken die nat is van het zweet en die vreemd koud aanvoelt, afgekoeld door een briesje. Aan de damp die tussen al die lijven zou hangen.

Ik was ooit op een dansfeest in de vroegere Westergasfabriek. Daar danste iedereen met één hand beschermend boven zijn glas: van het plafond vielen geregeld dikke druppels. Dit werd veroorzaakt door de opstijgende damp, die in de nok condenseerde – het lichaamsvocht van alle feestgangers ineen regende in onze drankjes.

Ik bleef op mijn stoel zitten. Zoveel zweten, omringd door onbekende mensen – alleen in de sauna voelt dat gepast. Zweten is toch vooral gênant, een teken van angst, slechte hygiëne of een reden om grapjes te maken over de overgang. Op een etentje verschijnen en bij een greep naar de peper zien dat er zich een pesterige donkere vlek onder je oksel heeft gevormd, is reden genoeg om de rest van de avond als een soort robot verder te eten: met je armen straks langs je lichaam geklemd.

Pas aan het eind van de dag waagde ik het erop: ik dook in de massa, stommelde een stuk mee en eindigde dansend in een tent. Het was er gloeiend heet en iedere persoon aanwezig leek wel te smelten. Toen kwam ik vrienden tegen, en het onvermijdelijke gebeurde: bij het begroeten kusten ze mijn plakwangen en omhelsden stevig mijn natte rug. Maar alle walging, alle gêne bleef uit: zij waren net zo doorweekt als ik. Het kon helemaal niemand iets schelen. Iedereen glibberde langs elkaar, wrong shirtjes uit en petste vrolijk op natte schouders. We waren een tent vol zwetende otters – en niemand vond het erg.

Als iedereen maar meedoet, kan zelfs zweten feestelijk zijn.