In de eerste plaats een ondernemer, dan pas Turks

Twee Turkse vishandelaren wonnen vorige maand de jaarlijkse AD Haringtest. Prachtig, maar de gebroeders Tagi vinden alle aandacht voor hun etnische achter-grond overdreven.

Schulden maken, doet hij niet. Op de vraag of hij een hypotheek heeft, antwoordt hij „niet echt”. En crisis is een mooi woord, want dan kan er geld worden verdiend. Abdullah Tagi (47) onderneemt op het eerst gezicht op een nogal on-Hollandse manier, maar noem het niet etnisch of Turks.

Zijn familiebedrijf, Vishandel Atlantic uit Scheveningen, is wat hem betreft een Nederlands bedrijf met een Hollands product: haring.

Abdullah staat al bijna veertig jaar in de vishandel. Hij begon bij zijn ouders die als gastarbeiders naar Nederland waren gekomen. Nu laat hij steeds meer over aan zijn negen jaar jongere broer Umut.

Begin deze zomer wonnen de broers de jaarlijkse haringtest van dagblad AD. Ze zijn trots. Goed voor de naam van het familiebedrijf, zeggen ze. Maar het was ook vreemd, al die aandacht voor „die Turken”.

Atlantic zou een voorbeeld kunnen zijn van een ‘etnische onderneming’. Etnisch ondernemen is, in wetenschappelijke termen, ondernemen door iemand van wie op z’n minst één ouder niet in Nederland geboren is. Belangenorganisaties promoten etnisch ondernemen als een middel om te integreren.

Prima, zegt Lia Smit van onderzoeksbureau Panteia, „maar dan moet het beleid wel barrières wegnemen”. Zoals: een gebrekkige kennis van de Nederlandse taal of van het belastingstelsel. „Etnisch betekent overigens niet alleen dat je vader of moeder uit het buitenland komt”, verduidelijkt Smit. „Het gaat ook om culturele afstand. Een Duitser die in Nederland komt ondernemen is geen etnische ondernemer.”

Toch voelt Umut Tagi zich helemaal geen etnisch ondernemer. Hij toont enkele krantenknipsels, met koppen als: Een Turkse Hollandse Scheveninger en Turken zetten haringwereld op zijn kop. Tagi begrijpt niet dat mensen het vreemd vinden dat twee Turken in de prijzen vallen. „Turken doen al veertig jaar visverwerking in Nederland. De afgelopen twintig jaar lieten supermarkten steeds meer Hollandse haring in Polen verwerken. Als de mensen nu lezen dat een Turk het in Nederland ambachtelijk doet, dan vragen ze zich af: ‘Turken en haringen, hoe kan dat nou?’ ”

Dat de tweede generatie allochtonen zich eerst ondernemer voelt en dan pas Turk, Surinamer of Indonesiër, toont volgens Smit aan dat ‘integreren door te ondernemen’ werkt. „Allochtonen staan ook niet stil. De tweede generatie zit vaak nog in horeca of groothandel, de derde generatie begeeft zich al in diensten en de financiële sector.”

Volgens Smit zetten etnische ondernemers hun niet-westerse achtergrond in om hun Nederlandse sectorgenoten te bekampen. „Allochtonen zetten soms heel eigen bedrijfsstrategieën in. Zoals netwerken onder allochtonen of met de investering van hun familiekapitaal.”

Abdullah en Umut Gari rekenen op hun familie als ze snel personeel nodig hebben. Hun zus en hun partners werken al in het bedrijf. „En als het moet, kunnen we meer familieleden optrommelen”, zegt Abdullah.

Is dat iets typisch Turks?

Nee, zeggen de Tagi’s. Dat hoort gewoon bij een familiebedrijf.

Het geldt ook voor de financiering. „Wij lenen alleen geld van de bank voor onze visvoorraad”, zegt Umut Gari. „Haring is altijd geld waard. Willen we een pand of machine, dan doen we dat met familiekapitaal. Gaat het mis, dan verliezen we, maar maken we geen schulden.”

Vishandel Atlantic bestaat uit een groothandel, een winkel en een uitzendbedrijf. De gezamenlijke omzet bedraagt ruim 8 miljoen euro. De broers hadden vorig jaar een marktaandeel van bijna 25 procent. „De winst kan schommelen”, zegt Umut. „We streven naar een netto winstmarge van minimaal 20 procent.”

Etnisch ondernemen werpt vruchten af en verdient nog altijd aanbeveling, zegt Smit. Zolang immigranten komen, blijft integratie aandacht vragen. Daarbij blijven er knelpunten. „Allochtone vrouwen vinden bijvoorbeeld nog altijd moeilijk hun weg naar het ondernemerschap.”