Het Celibaat, deel 1

Onderweg naar de abdij. Foto Raoul de Jong / NRC Onderweg naar de abdij. Foto Raoul de Jong / NRC

Veel wat ik u wil vertellen weer. Te veel voor één stuk, dus doe ik het in twee keer. Ik zal u niet vertellen waar het gebeurde en zal de namen van de hoofdpersonen fingeren, om redenen die in het tweede stuk zullen blijken.

We beginnen bij het begin.

Ik stond weer eens op een N-weg en had twee keuzes: rechtdoor, nog elf kilometer, naar een stad met een jeugdherberg. Of rechtsaf, vier kilometer naar een dorpje waarvan ik dacht te herinneren dat het een abdij had. Het dreigde te gaan regenen, mijn voeten waren kapot en ik had al een flink stuk gelopen, dus koos ik voor de laatste keuze.

De abdij stond naast een enorme kerk in een verder vrij klein dorpje. Via een intercom galmde er een kiestoon over het dorpsplein. “Ik kom wel even naar beneden,” zei een stem aan de andere kant van de lijn. “Dat praat wat makkelijker.”

Een jonge man met rode wangen en dik bruin haar opent de deur. Hij draagt een zwarte blouse met zilver kruisje. Broeder Piet, met 33 jaar de jongste monnik die ik ooit heb gezien. De jongste monnik van deze orde ook, maar hier hebben ze monniken van alle leeftijden, zegt hij. Deze abdij is een levende.

Via lange lichte gangen met ramen van glas en lood en portretten van meneren in witte habijten, volg ik hem naar een fijn kamertje op de laatste verdieping. Of ik mee wil eten ? Want dat kan. En of ik mee doe met het avondgebed?

Om half zeven klopt Broeder Piet op de deur van mijn kamertje, dit keer in wit habijt. “Mooie jurk heeft u aan,” zeg ik en besef onmiddelijk hoe stom dit is. Via een onbegrijpelijke tour door het enorme gebouw komen we in een kleine ruimte, waar de andere monniken zich in stilte verzamelen. Ik word er een beetje zenuwachtig van, in mijn windjas en wandelschoenen, tussen al die heilige mannen in witte habijten, dus doe ik mijn best om onzichtbaar te zijn en blijf dicht bij Piet in de buurt. Hij duwt me een boekje in de handen ‘Verpers’ staat erop, en gebaart me hem te volgen naar een soort kapelletje.

De banken in de kapel staan opgesteld in U-vorm, voor een spreekaltaar. De meeste broeders nemen plaats op de achterste banken, ik op de banken daar tegenover. Een monnik zingt soms een regel voor, in zijn eentje. Waarna de andere volgen. De teksten van de liedjes staan in het boekje dat Piet me gaf. Maar de melodieën ken ik niet, dus ik hou het bij playbacken.

Piet en ik eten samen in een gastenkamer, apart van de andere monniken. Hij vertelt me over de priester die zijn grote voorbeeld was. Over de opleiding die je moet volgen om monnik te worden, de geloftes die je af moet leggen. Zeven jaar neemt het bij elkaar in beslag. Je studeert filosofie, theologie, en natuurlijk, de Bijbel.

Geen van zijn vrienden reageerden raar toen hij besloot om broeder te worden, misschien omdat het er al zo lang aan had zitten komen. Hij ziet al zijn vrienden nog steeds. Dat is het mooie aan deze orde: ze leven geen gesloten leven. Hij eet, woont en bidt met de andere monniken, maar werken doen ze buiten de deur. Hij denkt dat het daardoor komt dat deze abdij nog een levende is. Al zal ook deze abdij uitsterven als er na hem geen nieuwe aanwas meer komt.

De vijf grootste voordelen van het monniken bestaan volgens Piet:

  1. Je krijgt drie keer dag te eten
  2. Een bed en een dak boven je hoofd
  3. Je hebt altijd werk (want er zijn maar weinig priesters)
  4. Als je wat nodig hebt zorgt de abdij daarvoor
  5. Geen gedoe met vrouwen

Misschien komt het doordat hij me een beetje verwachtingsvol aankijkt als hij dit zegt. Misschien doordat ik moe ben, me nog steeds een beetje afvraag waar ik nu weer aan begonnen ben, en waarom. Maar even vraag ik het me af: monnik worden, waarom niet? De stilte, de discipline, het zingen, het soort zachte, liederlijke gevoel voor rituelen en decorum. Het verlangen naar het hogere, het Wonder. Ik snap dit. Het zijn de symbolen die ik niet begrijp, de verhalen waaraan gerefereerd wordt. Niet uit onwil, maar omdat ik er niet mee ben opgegroeid. Zou ik het kunnen leren? En is dat dan de moeite waard?

Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.