Column

Heerlijke hitte

Nederlanders reizen graag naar warme landen, maar in eigen land moet de hitte nooit te lang duren. Dan worden we bezorgd en beginnen we het woord ‘tropisch’ uit te spreken alsof het iets vies is: ‘tro-pies’.

Het duurt nooit lang of er komt vervolgens namens allerlei instanties een golf van waarschuwingen op ons afgerold: pas op voor lange files naar de stranden, neem extra water mee onderweg, laat geen dieren of kinderen achter in de auto, leg opa een natte handdoek om zijn nek, las extra drinkpauzes in voor de voetballers.

Hoewel ik minder goed tegen de warmte kan dan vroeger, lukt het mij maar niet een hekel aan hitte te krijgen. Hitte geeft me een vakantiegevoel, het idee dat het nergens voor nodig is je, om wat dan ook, erg druk te maken. Morgen komt alles vanzelf goed, en als het niet goed komt is er nog geen man overboord.

Het weer van de afgelopen dagen mag van mij dan ook nog wel even duren. Een paar weekjes tropische hitte? Ik teken ervoor. Op één voorwaarde: dat er ergens in huis een koele ruimte is waar ik me af en toe kan terugtrekken. Niet alleen voor mij, maar ook voor alle katten van deze wereld. Een kat houdt wel van een beetje warmte op zijn buik, maar als de zon gaat branden wil hij schaduw.

Wat ik iedereen kan aanbevelen: een ochtendlijke stadswandeling terwijl de beginnende warmte zich als een deken om de dag vouwt.

Gistermorgen liep ik tegen half tien – eigenlijk al iets te laat – via het Westerdokseiland naar de zuidelijke IJoever in Amsterdam. Een rustig gebied, op maar een kwartiertje lopen van het Centraal Station. Aan het puntje van die IJoever staan drie hoge appartementengebouwen, de oudste twee waren vroeger graansilo’s en zijn door krakers en omwonenden gered van de sloop.

Het achterste gebouw, een hoge veelkleurige blokkendoos, Silodam geheten, is nieuw. Als je het via de benedentrappen bestijgt, kom je op een openbare ruimte uit, een breed houten terras met in de zomer één zitbank, waar zelden iemand op zit, omdat nauwelijks bekend is dat zich hier een van de mooiste uitzichtpunten van de stad bevindt.

Er tegenover ligt de noordelijke IJoever met naar rechts de gebouwen van Shell en Eye, op zo’n dag majestueus oplichtend in het zonlicht, terwijl het IJ zich naar links als vloeibaar bladgoud in de verre einder verliest.

Wie dan nog niet van de zomer houdt, zal het nooit meer lukken.

Terwijl ik er stond, hoorde ik achter me door de open ramen de geluiden van de bewoners: rokersgehoest, ontbijtbordjes, Franse chansons. Voor hen moet dit uitzicht heel gewoon zijn, of zouden ze er toch nog elke dag even van opkijken? Ik kan het ze aanraden.

Terug in het centrum zag ik om het Anne Frankhuis, de hitte ten spijt, toch weer een reusachtige slang van wachtenden om de hoek gekromd.

Even verderop hoorde ik tot mijn verbazing een corpulente Amerikaanse toerist aan een Nederlandse gids naar Herman Brood vragen. ,,Yeah, a rock-‘n-roll-star’’, zei de gids, „he was not from Amsterdam. He jumped from a hotel and died that way.’’ Het leek me een adequate samenvatting van een turbulent leven.

Twee weken geleden zag ik op zo’n fraaie zondag premier Mark Rutte op een terras aan het IJ zitten. Dat geluk was me nu niet beschoren, maar toch mocht ik niet klagen, want ik zag hem wel op zaterdagavond dineren op een terras aan de Leliegracht bij de Jordaan. Toeval? God zal toch niet willen dat ik op hem ga stemmen?