Eerstejaars

In heel het land begon deze week de introductietijd voor studenten. Zo ook in Utrecht, waar ik resideer. De Uitweek is de meest irritante week van het jaar. Niet vanwege de nieuwe studenten, maar vanwege de tweedejaars studenten die als mentor een groepje nieuwelingen onder hun hoede krijgen. Ze zijn vergeten dat ze vorig jaar zelf nog bleu en vers weggerukt uit Badhoevedorp of Schin op Geul naar de stad trokken om een nieuw leven in Utrecht te beginnen. Hoe ze toen zelf met een kaart in hun kontzak radeloos door Utrecht fietsten, op weg naar de universiteit of de kroeg. Maar dat was vorig jaar. Nu zijn ze gaaf en lid van een studentenvereniging, en lopen ze met gezwollen borstkas door het centrum terwijl ze op achteloze toon aan hun mentorkindjes uitleggen waar je je een vergrootte lever kunt drinken. Die jongens en meisjes, die vol bravoure over het fietspad lopen alsof de wereld van hen is, maken van mij een vloekende bejaarde die met gebalde vuist kinderen naar hun geboortedorp terugscheldt.

Maar het zijn niet alleen de mentoren die mij verdrietig maken. Ook het feit dat de eerstejaars ineens zo anders zijn. Toen ik in Utrecht kwam studeren – ik weet het nog goed, we waren net bevrijd van de Duitsers en het bier was nog op de bon – was ik een met mos begroeid kind. Ik sprak met een accent waar zelfs Syb van der Ploeg walgend de vingers bij in de oren zou stoppen en ik wist niks van het leven. Ik had een lelijke bril en droeg kleren die niet flatteerden en ik had nooit sjans. Echt nooit.

Kortom: ik had niet misstaan in een regiosoap, maar dan alleen als de lelijke beste vriendin van het hoofdpersonage. Maar de eerstejaars van nu! Buiten het feit om dat die meisjes elk jaar knapper en knapper worden, krijgen ze ook een soort houding en blik waar ik zelfs nu – negen jaar na dato– alleen nog maar van kan dromen.

Ze kijken je aan met een onverschilligheid die helemaal niet bij een eerstejaars hoort. Die blik van ‘ach, ik weet het allemaal al, je hoeft me niets uit te leggen’. Die wil ik ook. Ik zoek al jaren naar die blik. En zij, meisjes uit het jaar 1994, hebben ’m gewoon al. Het is oneerlijk. En daarom schreeuw ik, de bejaarde, ze van het fietspad. Al die knappe eerstejaars met hun perfecte hoofden en de hele wereld aan hun voeten.