Een onzichtbare oorlog

Voor Obama is de tijd van langdurige militaire interventies voorbij. Conflicten lost hij liever op met gebruik van cybertechnologie en drones, schrijft David Sanger.

Redacteur Internationale betrekkingen

Vlak voor hij op 20 januari 2009 werd ingezworen als president kreeg Barack Obama een belangrijk advies: Amerika heeft twee geheime projecten lopen, die van groot militair belang zijn. Geef ze niet op.

Het was George W. Bush die dit Obama op het hart drukte. In een gesprek onder vier ogen in het Witte Huis vertelde Bush zijn opvolger dat Amerika al sinds 2008 met Israël werkt aan een operatie met de codenaam Olympic Games: een poging om via een reeks complexe cyberaanvallen het Iraanse nucleaire programma te saboteren. Het andere project was minder geheim, maar de Amerikaanse regering had het bestaan ervan nooit in het openbaar erkend: de aanvallen met onbemande vliegtuigjes op strijders van Al-Qaeda en de Talibaan in Pakistan. Het waren twee nieuwe vormen van oorlogvoering die nog in de kinderschoenen stonden, maar waarvan de regering-Bush veel verwachtte.

Obama nam het advies van Bush ter harte. En dat niet alleen: hij bouwde beide projecten uit en gaf ze een belangrijke plaats in zijn beleid. Je kunt kunt ze zelfs kenmerkend noemen voor de manier waarop Amerika onder Obama bij voorkeur oorlog voert, zoals de Amerikaanse journalist David Sanger overtuigend laat zien in zijn onthullende boek Confront and Conceal. Ook het toenemend gebruik van commando’s past bij die aanpak van zo nodig hard optreden (confront), liefst in het verborgene (conceal), en als het even kan zonder tienduizenden militairen te hoeven inzetten. Na de slechte ervaringen in Irak en Afghanistan is de tijd van grote interventiemachten wat Obama betreft voorlopig voorbij.

Sanger veroorzaakte veel ophef met zijn onthullingen over het cyberoffensief tegen Iran. Nadat zijn krant, The New York Times, er begin juni in een grote voorpublicatie mee had uitgepakt, kreeg hij de wind van voren. Oud-CIA-directeur Michael Hayden waarschuwde in het Congres dat het nieuws dat de Amerikanen (deels) verantwoordelijk zijn voor cyberaanvallen tegen Iran, vast en zeker een vergelding van de Iraniërs zou uitlokken. Als hier straks de stroom uitvalt kunnen we daarvoor David Sanger bedanken, zei een oud-militair tegen een commissie van het Huis van Afgevaardigden.

Maar Iran had de onthullingen van Sanger heus niet nodig om te beseffen dat zijn nucleaire installaties in Natanz al geruime tijd doelwit van cyberaanvallen waren, en om te veronderstellen dat de Amerikanen daarmee te maken hadden. In de zomer van 2010 was internationaal bekend geworden dat een zogeheten ‘computerworm’, die Stuxnet werd genoemd, netwerken had geïnfecteerd in verschillende Aziatische landen, maar vooral in Iran, en dan in het bijzonder bij nucleaire installaties. Onmiddellijk werd vermoed dat Israël en de VS er achter zaten. De geraffineerde computerworm zorgde ervoor dat tientallen Iraanse centrifuges voor de verrijking van uranium zichzelf vernietigden, en meer dan duizend tijdelijk stil kwamen te liggen. Het was voor zover bekend de eerste keer dat landen met succes een softwareprogramma als aanvalswapen hadden gebruikt om fysieke installaties van een ander land te vernietigen. Een computercode had voor elkaar gekregen ‘wat tot dan toe alleen met bombarderen bereikt kon worden of met het sturen van geheim agenten met explosieven’, aldus Sanger.

We zijn de Rubicon overgestoken, zegt oud-CIA-baas Hayden in het boek. Hayden is er zó van overtuigd dat met deze cyberaanvallen een nieuw tijdperk in de oorlogvoering is aangebroken, dat hij zelfs een vergelijking trekt met de manier waarop het gebruik van de eerste kernwapens de wereld veranderde: ‘Ik beweer niet dat dit dezelfde gevolgen heeft, maar in zekere zin is het augustus 1945.’

Een nieuw wapen heeft zijn kracht bewezen. De gevolgen voor de verhoudingen in de wereld zijn nog onduidelijk, maar kunnen groot zijn, alleen al omdat andere landen niet zullen achterblijven. Cyberaanvallen uit Rusland (tegen Estland en Georgië) en China (onder meer tegen Amerikaanse bedrijven en het Pentagon) zijn niet met zekerheid te herleiden tot de Russische en Chinese overheden. Ook hebben ze geen direct fysieke schade aan de infrastructuur van de aangevallen landen toegebracht, maar alleen aan de computer- en informatiesystemen. Alles wijst er echter op dat deze en andere landen hard bezig zijn aan een nieuwe wapenwedloop, deze keer in cyberspace.

Door de spannende details die Sanger geeft over de geheime operatie tegen Iran, zou je bijna over het hoofd zien wat dit voor de huidige situatie betekent. Ook Sanger staat daar nauwelijks bij stil. Maar terwijl de wereld voor de zoveelste keer in spanning verkeert of Israël al dan niet de nucleaire installaties van Iran gaat bombarderen, zijn de VS en Israël in feite allang met de islamitische republiek in oorlog. Het is niet een oorlog die veel aandacht krijgt, de intensiteit is beperkt en er komen geen grote troepenbewegingen bij kijken. Maar het is wel degelijke een felle en gestage strijd van twee landen tegen een derde land, dat dit vast niet over zijn kant laat gaan. De liquidatie van Iraanse kerngeleerden, waar volgens Sanger Israël achter zit terwijl Washington er zijn handen niet aan vuil maakt, is ook onderdeel van die oorlog.

Het andere nieuwe wapen, het onbemande vliegtuigje (of ‘drone’), gebruikt de regering-Obama ook voor een schimmig soort onverklaarde oorlog – in Pakistan, maar ook in Jemen en Somalië. Bush was er al mee begonnen, maar Obama heeft de drone-aanvallen sterk opgevoerd. Hoewel de Amerikaanse wet liquidatie van politieke tegenstanders sinds de jaren zeventig verbiedt, geeft Obama nu regelmatig persoonlijk opdracht om vermeende terroristen uit te schakelen door een drone een raket op ze te laten afvuren. Het zijn mensen die op een lijst van actieve terroristen staan, voerde de president begin dit jaar als rechtvaardiging aan in een zeldzaam moment van openheid over deze activiteiten. Maar wie op deze lijst komen te staan bepaalt alleen de Amerikaanse regering, zoals Sanger terecht opmerkt.

Dat Obama deze nieuwe oorlogswapens zo gretig gebruikt is voor velen een verrassing, stelt Sanger. De Republikeinen schilderden hem aanvankelijk af als een softie. Democraten verwachtten dat hij na de jaren van de Global War on Terror onder Bush een meer op overleg en verzoening gericht beleid zou voeren. Maar Obama had in zijn verkiezingscampagne al gezegd dat hij terroristen zo nodig tot in Pakistan zou achtervolgen. Verder leerde Obama in zijn eerste jaar als president belangrijke lessen over het gebruik van Amerika’s militaire macht – en vooral over de beperkingen daarvan.

De grootste en pijnlijkste les was Afghanistan. Bij zijn aantreden geloofde Obama nog dat de Amerikanen en de NAVO dat land moesten opbouwen, veilig en democratisch moesten maken en een goed bestuur moesten bezorgen om zo de harten van de Afghanen te winnen en de opstand van de Talibaan te smoren. Hij stemde in met het sturen van tienduizenden extra militairen en beloofde een grote civiele inspanning, met onderwijzers, landbouwspecialisten, ingenieurs en juristen. Maar de opstand kwam niet tot bedaren en het Afghaanse bestuur bleek onverbeterlijk corrupt. Wat Amerika in Afghanistan wilde bereiken zou niet alleen enorm veel geld kosten, maar ook vele jaren vergen – en daar had Amerika het geduld niet voor, zag Obama. Bovendien begon bij hem te dagen dat de stabiliteit van kernmacht Pakistan voor Amerika eigenlijk van veel groter belang was dan de ontwikkeling van Afghanistan.

De ambities voor Afghanistan werden drastisch teruggebracht. Het bescheiden doel werd nu: terugtrekking van de grote troepenmacht, liefst zonder dat het land opnieuw in totale chaos vervalt. Als Amerika maar enkele bases in Afghanistan kan behouden, van waaruit commando’s en drones operaties uitvoeren in Afghanistan en vooral Pakistan, is dat mooi genoeg.

Sanger laat het leerproces zien dat Obama in de wereldpolitiek heeft doorlopen. Hij destilleert er de contouren uit van wat hij de Obama Doctrine noemt: geen massale en langdurige militaire interventies, veel gebruik maken van relatief goedkope wapens als drones en andere nieuwe technologieën, bondgenoten verantwoordelijkheid laten nemen voor de problemen in hun eigen regio, zeker als die geen directe bedreiging vormen voor Amerikaanse belangen.

Van dat laatste was de oorlog in Libië een goed voorbeeld: de Amerikanen lieten zoveel mogelijk over aan Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en andere partners. Maar in Syrië blijkt nu dat de Obama Doctrine, als je daarvan inderdaad kan spreken, de Amerikanen niet in alle gevallen uitkomst biedt. Terwijl het Syrische geweld voortduurt en de stabiliteit in de regio steeds verder bedreigt, staat supermacht Amerika machteloos ter zijde.

Sanger laat goed zien hoe Obama de basis heeft gelegd voor een nieuwe Amerikaanse opstelling in de wereld. Het is nog te vroeg om te zeggen hoe effectief die nieuwe koers zal zijn. Het Iraanse nucleaire programma heeft wel enige vertraging opgelopen door Stuxnet, maar is er niet door opgeblazen. De drone-aanvallen schakelen wel allerlei Al-Qaeda-figuren uit, maar ze zaaien ook anti-Amerikaanse gevoelens en doen afbreuk aan het imago van de VS. Sangers boek is een signaal dat de wereld ingrijpend verandert en dat de Amerikaanse regering daar een antwoord op zoekt. Dat kan geen enkel land, en zeker geen bondgenoot van Amerika, onverschillig laten.

David E. Sanger: Confront and Conceal. Obama’s Secret Wars and Surprising Use of American Power. Crown Publishers, 476 blz. € 17,95 ****