De Bovenbazen (77)

De gevallen rijkaard krabbelde overeind en staarde onthutst naar de samengebalde middelen, waar zijn munten en bankbiljetten in verdwenen waren.

Dat gaat niet aan, dacht hij. Een heer van mijn stand moet wat gereed geld bij zich hebben!

Met deze gedachte trachtte hij enige florijnen los te maken. Eerst peuterde hij er voorzichtig aan; toen begon hij te trekken en daarna ontzag hij zich niet om met handen en voeten aan zijn fortuin te gaan hangen. Rukkend en sjorrend bewoog hij zich enig tijd om het vermogen, zonder er een cent rijker van te worden – en ten slotte verliet hij geheel platzak en dodelijk vermoeid het bankgebouw.

‘Wat heb ik nu aan al mijn geld?’ zuchtte hij bedrukt. ‘Ik kan er naar kijken en er tegen op klimmen, maar meenemen kan ik het niet. Ik ben een arm heer, die zonder vrienden door het leven moet gaan. Dit moet slecht aflopen; dat voel ik. En als ik nu maar wist waartoe dit alles dient…’

Zo tobbend bereikte hij slot Bommelstein en daar werd hij opgewacht door professor Prlwytzkofski, de leider van de Soliumwinning.

‘Der goede dag, her Bomi,’ sprak deze. ‘Dit is een schoon moment. Ziet hier! Ik breng u het eerste gram Solium. Ene enorme kapitaal en een gans groter kracht, tesamengebald in een kleines doosjen! Wonderbaar, niet?’ Met deze woorden overhandigde hij een loden kistje en heer Ollie leefde een beetje op.