Column

Alles wat we niet wilden weten over einde Indië

Zedendelinquenten bewaakt tijdens Halloween (IKON)

Wie tussen 1942 en 1949 in Nederlands-Indië verkeerde en dat nu nog kan navertellen, loopt een redelijke kans de afgelopen week slecht te hebben geslapen. Rond de herdenking van de Japanse capitulatie is het elk jaar feest, maar frequentie en heftigheid van de openbarstende etterbuilen breken deze zomer records, leer ik van Uitzendinggemist. Het moet, want Nederland kan niet veel langer verder leven met zo’n gat in het collectieve geheugen.

Er waren de eerste foto’s van standrechtelijke executies door Nederlandse militairen, en daarna de voortreffelijke reconstructie door Ad van Liempt van de provinciale onhandigheid van de Haagse regering in Nederland valt aan (NTR). Er was een hopeloos in morele vragen verdwalende aflevering van Hollandse Zaken (MAX), waarin presentator Cees Grimbergen niet leek te begrijpen wat foto’s van een bloedbad in Atjeh in 1901 nu met Rawagede in 1947 te maken zouden kunnen hebben.

De onwetendheid is misschien ons grootste probleem aan het worden. Altijd wat (NCRV) vertoonde een interview met kapitein Raymond Westerling uit 1969, waarin hij oorlogsmisdaden toegaf, maar dat destijds geen omroep wilde uitzenden.

Maar waarom is ons ook nooit iets verteld over de gruwelen in de Bersiap-periode (1945-46), toen naar schatting tweeduizend Nederlanders, vooral Indo-Europeanen, werden afgeslacht door pemoeda’s, jonge onafhankelijkheidsstrijders?

Het belangrijkste programma van deze Indië-zomer is het tweedelige Archief van tranen (MAX), een televisiedocumentaire van samensteller Pia van der Molen en regisseur Michiel Praal, waarin gedetailleerd verslag wordt gedaan van het afhouwen van borsten, het waden door het bloed, de moord op vrouwen en kinderen, de verkrachtingen, gevolgd door penetratie met vlijmscherpe bamboesperen. Sommige getuigenissen staan op schrift, in een dossier van KNIL-militair Jack Boer, andere worden voor de camera uitgesproken door geëmotioneerde grijsaards.

De research van Van der Molen is imposant, bijna maniakaal. Zij ziet het werk als „een Opdracht met een hoofdletter”, en dat doet helaas afbreuk aan de kwaliteit van de film, die met toeristische impressies en al op de rand van het amateurisme balanceert.

Dat heb je er nu van, als de professionals van wetenschap en media een niet onbelangrijk onderwerp totaal negeren. In zekere zin rijmt de huisvlijt van Van der Molen op die van de pemoeda’s, die soms zeven schoten nodig hadden om een man te doden.

Leerzaam is ook haar verbazing over wat ze nu in Indonesië aantreft: rijkdom naast armoede,mensen die in de stank moeten leven. Zo weinig wereldwijs waren denk ik ook de Nederlanders van toen.