Nog meer spelen

Een van de belangrijkste verschijnselen die de Olympische Spelen begeleiden, is het gejuich. Dolly of Eric heeft de wedstrijd gewonnen, steekt de armen in de lucht, trekt de mond zo ver mogelijk open en slaakt de oerkreet. Tegelijkertijd rijzen de aanhangers op de tribune als één man op en doen hetzelfde. In het vaderland zitten de aanhangers bij elkaar in het café of thuis voor de televisie. Daar gebeurt het ook. Bij de Spelen gaat het tenslotte om één ding: winnen. Met de zielige verliezers, hun gebroken illusies, hun verdriet hebben we niets te maken.

Door dat verpletterende gejuich worden ze nog eens extra met de neus op hun treurigheid gedrukt. Dat risico hebben ze genomen, maar toch krijg ik altijd een beetje medelijden. In het diepst van mijn hart vind ik dat alle wedstrijden in een gelijkspel moeten eindigen. Of allemaal tegelijk over de eindstreep. Maar ik besef wel: daarmee wordt het evenement gecastreerd en dan komt er geen mens meer opdagen.

Behalve de sport zijn er nog allerlei andere activiteiten waarbij het er ook om gaat de beste te zijn, al ligt het er niet zo dik bovenop. Met muziekmaken kun je ook op een hartstochtelijk publiek eerbetoon rekenen als je het goed doet.

Denk bijvoorbeeld aan de Rolling Stones. Na het I can’t get no satisfaction (1965) brak het publiek de zaal af. Kijk maar naar de filmpjes op YouTube. Of het Concertgebouworkest, na de Vijfde Symphonie van Mahler. Ja, dat noemen we een beschaafd applaus, of in het uiterste geval: stormachtig. Maar het lijkt wel alsof er geen eind aan komt. Er zijn mensen in het publiek die zich voorgenomen hebben de laatste klap te geven. Ook een manier om jezelf onvergetelijk te maken. Kampioen applaudisseren. In openbare publieke bijval komen de muzikanten het dichtst bij de sportlieden.

Zoiets zou je andere talenten ook gunnen: de schilders, de schrijvers, de uitvinders, de topgeleerden. De besten krijgen ook hun beloningen, de prijzen, maar daar gaat geen publieke krachtmeting aan vooraf. De Nobelprijs krijg je bij wijze van spreken vanzelf, nadat je je jarenlang voor de natuurkunde, de vrede verdienstelijk hebt gemaakt. Je bent niet aan de slag gegaan met het plan die prijs te winnen. En als je hem hebt gekregen, ga je niet voor de camera’s van de hele internationale gemeenschap schreeuwen en hossen. Het is wereldnieuws, maar geen resultaat van een wedstrijd.

In de kunsten is het vaak anders. In dat onmetelijk gevarieerde gebied heb je je eigen concurrenten met wie je zo op het oog een vriendschappelijke verstandhouding hebt terwijl je ze diep in je hart het licht in de ogen niet gunt. Ik herinner me – ongeveer – een regel van Gerrit Komrij: Hoera! Het boek van Piet ligt bij De Slegte! Dat is een uiting van bevredigde rancune.

Maar openbare wedijver is iets heel anders. In dat geval, bijvoorbeeld in de schilderkunst, moet je je voorstellen dat er tien van de allerbeste schilders ter wereld achter hun ezel zitten, allemaal met hun blik op hetzelfde model. Daar klinkt het startschot. Deze artiesten horen allemaal tot een andere school. Voor een oudere man is er geen groter schilder dan Rembrandt, een ander heeft zich laten inspireren door Marcel Duchamp, er is een Dali-achtige bij en een leerling van Karel Appel.

Van deze internationale krachtmeting, de eerste in de geschiedenis, wordt door de media verslag gedaan. Ja, dames en heren, ja! Wat een schitterende streek geeft die bejaarde daar! En wat een kleuren! Dat portret gaat waarachtig op Hendrickje Stoffels lijken! Maar daar komt die jongeman! Daar gaat in één worp wel een liter verf tegen het doek! Die kan wat aanrotzooien! En ja! Ja! De aanrotzooier ligt voor! Hij vergroot zijn voorsprong! Ja! De aanrotzooier heeft ge-won-nuh!

In de sociëteiten en de kroegen van de kunstenaars wordt gedanst, gehost, gezopen. Op de Dam loopt het uit de hand. De winnaar wordt door de premier ontvangen en hij krijgt de Orde van Oranje Nassau. Waarom zou een groot schilder niet eens in zijn leven een wereldapplaus mogen hebben?

Aan de andere kant: wedstrijden bevorderen ook de zucht naar records. In de jaren twintig is in Amerika een soort sport ontstaan die het nooit tot een officiële sport heeft gebracht, hoewel je er alles bij nodig had waarmee je het in de sport ver kunt brengen: hoop, eerzucht, een hoog moreel, uithoudingsvermogen en een perfecte lichaamsconditie. Die halfsport was het marathondansen. Met je partner zo lang mogelijk op de dansvloer blijven en op de maat van de muziek dansachtige bewegingen maken. In 1935 is er door Horace McCoy een boek over geschreven waarnaar in 1969 een film is gemaakt, They Shoot Horses, Don’t They. Die heb ik gezien. Diep medelijden gekregen met de helden die zich met hun laatste krachten over de dansvloer bleven slepen.

Als je geen sportcrack bent, kun je nog altijd proberen in het Guinness Book of Records te worden opgenomen. Maar niet meer door zoveel mogelijk te eten en te drinken. Dat record is eruit gehaald. Ook een teken des tijds.