De coupe van Louis

Met een klap werd ik door Robert Maaskant onder de fluwelen donsdeken van de Olympische Spelen in Londen vandaan gerukt. Waar een stad zichzelf had heruitgevonden in een oase van licht, choreografie en muziek. Het voelde alsof er iets meer binnenkant in een mensenleven was gedropt. Daar had de coach van FC Groningen geen last van. Na het competitieduel tegen FC Twente schoffeerde hij zijn eigen speler: „Johansson, godverdomme. Nog helemaal geen kut kan hij dekken.”

Welkom in de beschaafde wereld van het voetbal.

De brulboei Maaskant vond het niet nodig zijn ordinaire uithaal af te blussen. Hij bleef achter zijn uitspraak staan. „Ik had het misschien vijf meter verderop moeten roepen.”

Onvervalste pooierstaal, eigen aan voetbalcoaches in hun geschifte daadkracht. Epke Zonderland jaag je er niet mee de rekken in. Maar in de dug-out is enige verbale elegantie algauw ouderwets.

In de stijl van oud-bondscoach Jaap van der Leck (1911-2000).

Ik denk niet dat Louis van Gaal nu nog het woord „kut” zou gebruiken om een verdediger te geselen – mag niet van Truus. Al was hij anders ook niet preuts in zijn ziedende filippica’s. Op zijn tong sneuvelden talloze lichaamsdelen, om niet te zeggen hele levens.

De brandstapel Louis van Gaal.

Nu ik hem terugzag aan de vooravond van de derby tegen de Rode Duivels overviel me een aangenaam gevoel. In mezelf pratend begon ik hem zowaar te tutoyeren. De generalissimo bijna teruggebracht in gezellige teenslippers.

Barbecuerijp.

Er was iets gebeurd met Louis. Je zag het aan hem af. Nog het meest opvallend was zijn half opgeschoren indianencoupe. Nozemhoofd voor bejaarden, zeg maar. Tijdens de wedstrijd in het Koning Boudewijnstadion bleef hij ongekend roerloos in de dug-out zitten. Niet dat pathetische molenwieken, laat staan een karatetrap. Eén keer stapte hij uit zijn zitvlees, maar dat was omdat zijn assistent de numero uno begon uit te hangen met cavalerieachtige stuiptrekkingen.

De gedroogde vlinder, Danny Blind, op hoge poten: je besterft het ter plekke in een lachstuip.

Ook na de afstraffing bleef de bondscoach mild en beschaafd. Hij had wat persoonlijke fouten gezien, maar verder was er weinig aan de hand met Oranje.

Ach, wat moet je met de zoveelste vriendschappelijke interland die alleen commercie dient. En waar zouden ze dan nog bestaan, de Lage Landen? Niet in de Hedwigepolder, dacht ik. In België wordt nu met het idee gespeeld om van de Rode Duivels een televisiesoap te maken. Een scabreuze, maar wel juiste inschatting van een nationale mythe die er geen is.

Een mythe sterft niet, zoals het Nederlands elftal na het EK overkwam. Met als treurige nasleep: hysterische geheimhouding over de staat van ontbinding.

Oranje als bank van het Vaticaan.

Moeten we de immer joyeuze perschef Kees Jansma niet eens aanspreken op deze duisternis? Kees heeft een reputatie hoog te houden. Of toch een verleden van geoefende transparantie. Man met patina. Op zijn leeftijd ga je niet meer mummiegewijs mee het praalgraf in van de heren Sneijder, Huntelaar en Van Persie. Of van de KNVB.

Dan spreek je.

Met toenemend ongeduld wacht ik op het spreken van Bert van Marwijk en schoonzoon Mark. Zij zijn de vaders van het echte verhaal. Doodjammer dat ze zo opgezadeld zijn met die Limburgse kloostercultuur van slikken en bidden.

„Er is nog zoveel niet gezegd”, zingt Paul van Vliet in een prachtig chanson. Ofschoon ook poëtisch zou ik nu graag de vlijmscherpe kant van de ex-bondscoach willen zien. Berts nagedachtenis wordt mij iets te makkelijk bepoteld. Te ruig ook.