Als oud grijs mens durf ik alles te vragen

Iki Freud behoort tot een welhaast uitstervende groep therapeuten; de psychoanalyticus. Ze gelooft in het heil van langdurig en frequent praten, zoals ze zelf ook deed. „Dit vak trekt wonderlijke mensen aan. En ja, daar reken ik mijzelf ook toe.”

Psychoanalytica Iki Freud: „Je kunt in een therapie niet helen wat kapot is.” Foto Bram Budel

Psychoanalytica Iki Freud (75) zit een halve eeuw in het vak. Ze heeft haar patiënten duizenden vragen gesteld. Maar van anderen gaat de interesse vaak naar één ding uit: is zij familie van Sigmund?

Ze is géén nakomeling van de grondlegger van de psychoanalyse, zegt Freud in haar praktijk met uitzicht op het Vondelpark. Hooguit hangt zij aan een zijtak van diens stamboom. Maar de anekdote over Sigmunds dochter Anna deelt zij niettemin graag. „Anna bezocht de kinderpsychiatrie in Amsterdam. Toen ik haar ontmoette, zei zij dat wij verwant moesten zijn, ‘want er zijn maar weinig Freuds in de wereld’. Ik antwoordde dat dat niet klopte. ‘In Chicago reed ik eens langs een garage met op de gevel: ‘John Freud Car Repair’. Waarop zij antwoordde: ‘As long as it’s repair, it’s alright.’”

‘Mijn naam heeft meer nadelen dan voordelen’, heeft u wel eens gezegd. Waarom?

Freud haalt haar schouders op. „Het wekt wrevel en jaloezie. Op congressen beginnen collega’s er meteen over, alsof ik alleen uit een naam besta.”

Wat zeggen ze dan?

Are you related? Altijd maar weer die vraag. Dan denk ik: hoe interessant ís dit?”

U wilt niet in één adem genoemd worden met uw beroemde naamgenoot?

„Ik weet nog dat ik als kind met mijn vader op straat liep. ‘Mensen hebben het veel over Sigmund Freud’, zei ik tegen hem. ‘Ben jij familie van die beroemde meneer?’ Mijn vader wilde geen woord aan het onderwerp vuil maken. ‘Ik ben zélf beroemd’, zei hij geprikkeld [János Freud was de ontdekker van het hormoon testosteron, red.]. Dus ja, misschien heb ik die houding van hem overgenomen.”

En dan somt Freud de overeenkomsten tussen haar vader en Sigmund op: allebei Joods, allebei wetenschapper, allebei in Wenen gestudeerd, maar desondanks geen directe familie van elkaar. „Mijn vader werkte in Wenen bij een röntgenoloog die Sigmund onder behandeling nam toen hij kaakkanker kreeg. Toch een gek idee dat je één handshake verwijderd bent.”

Het stoort u als mensen u met Sigmund associëren, maar u koketteert er ook mee. In uw autobiografie Mijn naam is Freud wijdt u een heel hoofdstuk aan de overeenkomsten tussen Freud en uw vader.

„Ja. Ik vind die verwantschap grappig. De ene man hield zich bezig met geslachtshormonen, de andere met seksualiteit. Dat verzin je toch niet?”

Bent u heimelijk trots?

„Ach, trots... Freud is een belangrijke factor in mijn leven. Op mijn zeventiende verjaardag gaf mijn broer mij Sigmunds boek Die Vorlesungen cadeau. Ik las over onze binnenwereld en hoe je daar bij kunt komen met behulp van een psychoanalyse. Toen daagde het: dit is wat ik wil.” Ze vertelt dat de beroemde hoogleraar psychiatrie Jan Bastiaans haar in de jaren zestig aannam voor de psychoanalytische opleiding, tot haar eigen verbazing. „Ik zat in die tijd niet op het goede spoor. Was behoorlijk in de war. En toen ging ik voor mijn opleiding in analyse. Ik kwam terecht bij een dame voor wie ik bang was.”

Waarom?

„Ik vond het moeilijk om mij tegenover haar uit te spreken. Dan vertelde ik bijvoorbeeld dat ik in de oorlog was opgegroeid. Zei zij: ‘Daar weet u niets van.’ Tot in de jaren zeventig was de oorlog onbespreekbaar. Maar door dat soort uitspraken kroop ik wel in mijn schulp.”

Is dat niet het geijkte beeld van de psychoanalyticus: een strenge persoon die iemand onder handen neemt?

„In die tijd zwegen psychoanalytici vooral. Wel is het zo dat vrouwen het voor het zeggen hadden bij de Psychoanalytische Vereniging. Het had iets weg van een matriarchaat. Aan hun leerlingen hielden de dames voor dat ze er dag en nacht voor hun kinderen moesten zijn – crèches waren uit den boze – maar zelf hadden ze geen tijd voor hun kinderen.” Freud heeft een zoon van 51, Yuri, en dochter van 40, Jutka.

Volgens psychiater Bram Bakker scoren juist psychiaters van alle artsen het hoogst op verbroken relaties en zelfmoord.

„De geestelijke gezondheidszorg trekt wonderlijke mensen aan. En ja, daar reken ik mijzelf ook toe.” In haar biografie beschrijft Freud haar jeugd in oorlogstijd. Haar vader was streng, maar liefdevol. Haar moeder: excentriek, opvliegend en onbetrouwbaar. Ze hadden een slecht huwelijk. Zó slecht, dat haar vader voorspelde dat Iki en haar broer ernstige psychische gevolgen van hun jeugd zouden ondervinden.

U bent drie keer in analyse geweest. Zag u zichzelf als project?

„Nee. Intellectueel kon ik goed meekomen, maar ik had een panische angst om mij in liefdesrelaties te binden. Mijn hoop was dat een analyse orde in de chaos zou scheppen.” Ze zegt dat mensen tegenwoordig minder noodzaak voelen hun innerlijke verwarring op orde te brengen. Ook als ze „stikken van de problemen”. „Ze zien vaak het verband met hun eigen levensgeschiedenis niet. Willen dat het ophoudt. Punt.”

Een ‘quick fix’?

„Ja. Ons levenstempo is hoog en alles lijkt te koop – inclusief geluk. Mensen zijn ongeduldiger, ontevredener. Op straat kijken ze nauwelijks meer om zich heen. De blik is altijd op hun telefoon of iPad gericht. Ik heb veel patiënten gezien die heel succesvol waren, maar weinig inzicht hadden in hun innerlijk. Die het verband tussen hun klachten en hun levensgeschiedenis niet zagen.”

En dan neemt u hen onder handen?

„Ik zou die term zelf niet gebruiken. We gaan samen een proces aan – als dat lukt. Ik heb vaak genoeg meegemaakt dat iemand na een paar sessies afhaakte. Patiënten hebben sneller het idee: nu weet ik genoeg. Ze komen tien keer en dan hoor je opeens niets meer. Dat gebeurde vroeger nooit.”

Ervaart u dat als een belediging?

„Nee, want niemand is verplicht te blijven, de klant is koning. Soms durven patiënten niet dieper op de dingen in te gaan.”

Daar valt niet tegenop te boksen?

„Nou, boksen doe ik nooit. Ik geloof in geduld en omzichtigheid. Dat neemt niet weg dat je mensen soms moet motiveren. Tegen een jonge vrouw die een paar mislukte relaties achter de rug heeft, zeg ik dat het tijd is iets te ondernemen, want ‘je biologische klok tikt’. Mensen met een groot verdriet maak ik duidelijk dat het beter is pijn te ventileren dan op te zouten. ‘Een therapie kost tijd en geld’, houd ik hun voor. ‘Maar voor uw welbevinden is het wel zo goed.’”

Komt het wel eens voor dat ú hun niet aanstaat?

„Een enkele keer. ‘Zal ik u doorverwijzen’, vraag ik dan. Ik ben niet gekwetst. Je moet elkaar wel aanstaan, dat is belangrijk. Mensen blijven soms jaren in therapie bij iemand bij wie ze zich niet thuis voelen. Dat vind ik jammer.”

Later zegt Freud dat het vak haar meer boeit naarmate zij ouder wordt en dat zij nog steeds veel leert. „Als oud, grijs mens durf ik alles te vragen. Mensen respecteren en vertrouwen mij gemakkelijker, omdat zij voelen dat ik ervaring heb. Ze knipperen niet met hun ogen als ik vraag waarom ze al tien jaar geen seks hebben gehad met hun partner. Integendeel: ze zijn blij dat iemand eindelijk iets zegt wat er toe doet.”

Zijn mensen banger geworden voor hun gevoel?

„Sterker: sommigen weten niet dat ze gevoel hébben. Soms vertelt iemand een verhaal en dan denk ik: wat een angstige man. Als ik vraag ‘voelt u wel eens angst’, kijkt hij mij verbaasd aan. ‘Angst? Nee, dat heb ik nooit.’ Dan zeg ik: ‘Dat verhaal dat u zojuist vertelde, dát heet nou angst.’ Hun leven wordt geregeerd door angst, maar ze weten niet wat het begrip inhoudt.”

En dan?

„Dan moet ik uitleggen wat angst is, hoe het voelt, waar het zit, wat de gevolgen zijn. Veel van mijn patiënten zijn rond de vijftig: de fase waarin de dood in zicht komt. Het huwelijk komt onder druk te staan, de kinderen wonen op zichzelf, vrienden gaan dood, ouders worden ziek of dement. Tot hun veertigste wanen mensen zich onsterfelijk. Rond hun vijftigste volgt een heroriëntatie, die qua impact wel iets weg heeft van de puberteit.”

Er is veel behoefte aan psychische bijstand, maar de geestelijke gezondheidszorg staat onder druk. Alleen ‘echte’ psychische kwalen worden nog vergoed. Baart dat u zorgen?

„Er is genoeg leed, dat moet niet onderschat worden. Toch kunnen wij lang niet iedereen gezond maken. Mensen die té beschadigd, té verwaarloosd of té ziek zijn, worden niet doorverwezen. Je kunt in een therapie niet helen wat kapot is.” Freud vindt het goed dat demissionair minister Schippers van Volksgezondheid „het tuintje eens flink wiedt”. „Maar haar maatregelen staan ver af van de dagelijkse praktijk. Neem de DBC, de diagnose-behandelcombinatie. Door de invoering van dat systeem moeten psychotherapeuten tegenwoordig een diagnose melden. Dat is moeilijk, dus kiezen zij voor een diagnose die de meeste uren verschaft. Wat bedoeld was als bezuiniging kost op die manier alleen maar meer.”

Doet u daar ook aan mee?

„Nee, want ik heb mij uit het register laten schrappen en werk niet samen met verzekeringen. Ik weiger labeltjes te plakken op mijn patiënten. Voor lang niet ieder probleem bestaat naar mijn idee een term. En soms blijkt na verloop van tijd dat je eerste indruk niet klopte. Mensen zijn niet statisch, hè.” Consequentie is wel, zegt Freud, dat haar patiënten hun eigen therapie moeten betalen. Hoeveel zij per sessie rekent wisselt, maar „laat duidelijk zijn dat ik geen beginnerstarief hanteer”.

Een psychoanalyse van drie jaar kost gemiddeld 10.000 euro. Bent u niet bang dat behandeling voor de happy few wordt?

„Meer dan vroeger moet je er iets voor over hebben. Maar als je een redelijke baan hebt en je behandelaar is bereid over de kosten te onderhandelen – wat steeds vaker voorkomt – dan lukt het wel .” Freud ziet wel in dat de psychoanalyse in een vrije val is geraakt. Minder intensieve therapievormen, zoals gezinstherapie en cognitieve therapie, zijn tegenwoordig meer in trek. Steeds minder mensen weten wat haar werk inhoudt. „Als ik in een ziekenhuis kom, word ik met ‘mevrouw Vreut’ aangesproken. Sigmund? Hebben ze nooit van gehoord. Laat staan dat ze weten dat de psychoanalyse een honderd jaar oud vak is dat grote veranderingen en ontwikkelingen heeft doorgemaakt.”

We komen te spreken over De Divan, het meubelstuk dat onlosmakelijk verbonden is met de psychoanalyse. Of, in Freuds geval: een eenpersoonsbed met stijlvolle kelim tegen de wand van de kamer. Zou dit gesprek anders zijn verlopen als zij de afgelopen uren op de divan had gelegen? „Dat is moeilijk te zeggen, maar als je vraagt: ‘Verschilt een analyse van een doorsneetherapie’, dan zeg ik ‘ja’. Het werkt anders als je elkaar niet aankijkt. Schaamte speelt een minder grote rol, sociale conventies vallen weg. Als je daar ligt, voel je je vrijer om alles te delen: fantasieën, angsten, onzekerheden, dromen. Voordeel voor analytici is dat ze niet de hele tijd op hun mimiek hoeven te letten. Ze hebben meer ruimte om na te denken voordat ze iets zeggen.”

In uw boek schrijft u dat u altijd een sterke neiging tot depressiviteit heeft gehad. Waar komt dat gevoel vandaan?

Het blijft heel lang stil. Freud probeert zich een houding te geven. Wrijft in haar ogen. „Als je ouder wordt, heb je minder weerstand tegen emoties”, verexcuseert zij zich. Ze vertelt dat haar vader overleed toen zij elf jaar was. Hij was lang ziek, woonde al niet meer thuis, maar na zijn overlijden werd er geen woord meer aan János vuilgemaakt. Haar moeder was opgelucht: ze hoefde geen rekening meer met hem te houden. „Ik kon nergens terecht met mijn verdriet. Was met stomheid geslagen. Een jaar lang heb ik nauwelijks iets gezegd.”

Haar vader was dol op zijn kinderen. Hij gaf Iki en haar broer les in eerste hulp bij ongelukken, las voor uit de Bijbel en leerde hun met mes en vork te eten. „Het lijken kleinigheden, maar ze getuigen wel van een onvoorwaardelijke liefde.” Door zijn dood was haar leven uit balans. Vaak had ze het gevoel dat ze dood wilde. Tot haar vijftigste, toen Freud haar echtgenoot, hoboïst Han de Vries, ontmoette. Ze wonen in aparte huizen, op een steenworp afstand van elkaar.

‘Zelfinzicht leidt niet altijd tot een gelukkiger leven’ schrijft u in uw biografie. Waarom dan toch die moeite doen?

„Mensen met zelfinzicht hebben meer regie over hun leven. Waarom ben ik zo angstig? Dwangmatig? Waardoor wordt deze aanval van treurigheid veroorzaakt? Het is waar dat je daar niet noodzakelijkerwijs gelukkiger van wordt, maar het alternatief strekt ook niet tot aanbeveling. Mensen die zichzelf niet goed kennen worden als een blaadje in de wind alle kanten op geslingerd.”