Alles is aan het glijden geslagen

Geert Mak trok maandenlang door de Verenigde Staten. In het voetspoor van schrijver John Steinbeck en poedel Charley reed Mak van oost naar west en weer terug. Op zoek naar de ziel van Amerika. „Alle zekerheden zijn voor onze kinderen verdwenen.”

Ontbijt in een diner in Maine. Foto Newscom

Maine, zo laat ik me vertellen, kent twee soorten inwoners: Natives en From Away’s, autochtonen en anderen – met dien verstande dat je ook al From Away bent als je niet toevallig bent geboren op de plaats waar het gesprek plaatsvindt. De grootste steden, Bangor en Portland, tellen niet meer inwoners dan een kleine Nederlandse provinciestad. De mensen hier doen een beetje denken aan Friezen en Groningers: zwijgzaam, uiterst betrouwbaar – geen huis is op slot – en zeer behulpzaam – geld vragen voor een reparatieklusje is not done. Zoals in alle randgebieden ter wereld trekken de jongeren en de slimmeriken weg naar de stad – in het naburige Boston wonen 645.000 mensen, de helft van de bevolking van de hele staat Maine. De achterblijvers worden steeds ouder. Gemiddeld zijn ze, in vergelijking met de rest van New England, ook steeds slechter opgeleid.

In deze natte en modderige streek wemelt het van de plannen, zoals dat vaker gaat met perifere gebieden: energiebesparing, het verder uitbouwen van kleine gemeenschappen, onderwijs in allerlei soorten en maten. Er moet meer zelfvertrouwen komen, schrijft The Bangor Daily News, maar „zoals een hotdogverkoper niet concurreert met een chic restaurant, zo moet ook Maine zijn specifieke positie accepteren en uitbuiten”. Sommige plannenmakers, waarschuwt de commentator, hebben de neiging om, als ze in de spiegel kijken, te denken dat ze Brad Pitt zien. „Is het niet belangrijk dat mensen de realiteit onder ogen zien en op grond daarvan handelen?”

Er zijn ook dit najaar overal in het land stevige verkiezingscampagnes aan de gang: voor het Congres en de Senaat, maar ook voor gouverneurs, wethouders, gemeenteraadsleden, rechters, sheriffs, en andere lokale ambten. In de regen schuiven overal tussen de opschriften FOR SALE de verkiezingsbordjes voorbij, in bijna iedere voortuin wel eentje, vooral die van een zekere LePage – ja, de favoriete Republikeinse gouverneurskandidaat Paul LePage zal Maine komen redden, de zakenman die verklaarde dat de NAACP, de organisatie voor zwarte burgerrechten, „zijn reet kon kussen”, dat Obama „naar de hel kon lopen” en dat het enige nadeel van de giftige uitwaseming van een bepaald soort plastic kon zijn dat „sommige vrouwen misschien baardjes zouden krijgen, en dat willen we niet”.

Bij Winter Harbor stuit ik in het bos op een stuk oude weg, de witte streep nog net zichtbaar, het asfalt gebarsten door de boomwortels, de randen overgroeid met struiken, gras en paddenstoelen. Het is mogelijk dat Steinbeck hier nog met zijn Rocinante overheen gereden heeft, de regen roffelend op het dak. In zijn brieven aan Elaine klaagt hij over zijn vermoeidheid, en hoe hij dan in het donker nog een plek moet vinden om te overnachten. „Er is hier geen mens aan wie ik kan vragen me gezelschap te houden. Je zou ervan opkijken hoe verlaten grote delen van deze noordelijke streken zijn.”

We vinden een slaapplek in een vermoeid houten hotel. Buiten rennen de eekhoorns over de lege veranda. Beneden, voor de leren stoelen, brandt een enorm houtvuur. Er zijn twee andere gasten, twee jagers. „Koffie?” „Mmm.” „Herten?” „Niet slecht.” „Het terrein?” „Okay.” De stilte is drukkend, alleen de huispapegaai rammelt op zijn stok.

De eigenaar schuift aan. Hij heeft nu alleen nog jagers in huis. Volgende maand jagen ze weer op eenden, maar nee, het is niet als vroeger. „Als u eens wist wat voor papierwerk er allemaal bij komt kijken, vergunningen, formulieren, daar hadden we vroeger geen last van. Maar sommige mensen hier leven nog altijd zo’n beetje van de jacht.” Hij wil het hotel verkopen, vraagt of ik soms belangstelling heb. Hij houdt het hier zelf niet vol. „Ik verdien twintig tot dertigduizend per jaar, daarvan gaat twee- tot vierduizend naar de belasting. Maar iemand die twintig tot dertig miljoen verdient betaalt geen stuiver, dat kan toch niet!”

Denkt iedereen er hier zo over? „De mensen geven nu Obama de schuld – alsof die niet van George Bush een enorme rotzooi erfde, maar dat lijken ze vergeten te zijn. En ze zijn verward. Het ene tv-kanaal beweert dit, het andere totaal het tegenovergestelde.” Zelf wil hij er niets meer van weten, van geen enkele partij. „Het is één grote, met elkaar verknoopte bende. Nooit maken ze ook maar iets waar van wat ze beloven.” Zijn ogen worden hard. „Er komt hier nog eens een revolutie, dat denk ik vaak, misschien zelfs eerder dan we denken.”

Er valt weer een stilte. Buiten wordt de mist almaar dichter. De jagers mompelen aan de bar, de papegaai krijst, er blaffen een paar honden, een stoel schuift.

De volgende dag klinkt over de autoradio opeens de rustige stem van een typisch Britse nieuwslezer. Leve de CBC! We naderen de Canadese grens, blijven daar zo’n beetje langsrijden, een gebied van meren, bossen en moerassen, met in de verte het grijsblauw van veelbelovende bergen. Aan weerszijden van de weg staan victoriaanse villa’s, caravans en houten hutten kriskras door elkaar. Het aantal vervallen bouwsels neemt snel toe: oude garages, schuren, half ingezakte huizen, een verrotte Canadese treinwagon, een zwart en uitgebrand benzinestation, zelfs een scheefgezakte kerk. ‘God is als plakband. Je ziet het niet, maar je weet dat het er is’, staat op een groot wit bord voor de deur.

In de General Store van Brookton, het enige winkeltje in de wijde omgeving, raak ik aan de praat met een paar gepensioneerde boeren. We hebben het over de plaatselijke geschiedenis. Zo nu en dan had ik, net als Steinbeck, vervallen huizen gezien die erbij stonden alsof ze in de grond waren gedrukt door een Enorme Boze Duim van Boven, ineengeperst en opengeklapt. Ja, dat kwam inderdaad door de sneeuw. „Twee jaar geleden viel bijvoorbeeld ruim tien meter sneeuw, en die sneeuwlast blijft liggen, de hele winter lang. Sommige huizen, vooral als ze vervallen zijn, kunnen dat niet hebben. Zo gaat dat hier nu eenmaal.”

Mijn medeklanten beginnen me uitvoerig te vertellen hoe dit winkeltje het laatste restant is van een heel complex van winkels en hotels dat hier ooit stond. Ze zijn allemaal in de jaren dertig failliet gegaan en verlaten, zoals zoveel bedrijven in Maine. In de jaren tachtig kwam er nog eens zo’n golf sluitingen. Sneeuw is niet de enige oorzaak. „Die ingezakte huizen, dat zijn ook de overgebleven ruïnes van de Grote Depressie.”

We rijden verder. Het begint weer te regenen. De rivieren die we kruisen zijn vol schuim en langsrazende stukken hout, hier en daar loopt het water over de weg. Uit de kranten begrijp ik dat dit een van de armste stukken is van het toch al armoedige Maine. De boeren zijn, net als in Europa, niet verdwenen, de boerderijen zijn alleen maar steeds weer opnieuw samengevoegd. Dat gebeurde ook al in de tijd van Steinbeck – ieder jaar hield zo’n 2 procent van de Amerikaanse boeren het voor gezien. Tussen 1980 en 1990 ging het echter razendsnel: in tien jaar tijd verdubbelde de gemiddelde omvang van de boerderij. Nu zijn er vrijwel geen kleine boeren meer, met alle gevolgen van dien: steeds kleinere gezinnen, een vergrijzende bevolking, lokale winkels, banken en coöperaties die sluiten, kerken die leegstaan.

[...] Nog steeds verzamelen zich, overal in Amerika, ’s ochtends tussen zeven en acht groepjes mannen – plus een enkele vrouw – in diners, eetketens en andere wegrestaurants om daar gezamenlijk eieren, worst, spek, toast, bonen en pannenkoeken te eten. De hoeveelheden zijn, naar Europese maatstaven, dodelijk. Vaak zijn het chauffeurs, boeren en arbeiders, soms specialisten die in de omgeving een klus moeten klaren, vooral op het platteland tref je ook regelmatig vaste groepjes gepensioneerden.

De eetruimte is meestal verdeeld in vakken met formica tafels en bruine of groene kunstleren banken. Aan de wanden diploma’s, familiefoto’s, soms een jachttrofee en steevast een kleurig natuurtafereel – bijvoorbeeld een grote zwarte beer die voorzichtig een bosbeek oversteekt. De bediening is fabelachtig: vrouwen die een ijzeren warmte uitstralen, die iedereen bij de naam kennen, die je geen seconde laten wachten en die altijd blijven lachen onder hun goedkope make-up. En dat doen ze allemaal vanaf vijf uur ’s ochtends, voor vier dollar per uur plus fooien. Net als Steinbeck nam ik al snel de gewoonte aan om ’s ochtends vroeg, direct na het opstaan, zo’n verzamelplek te zoeken. Dat kost nooit meer dan een paar minuten. Soms levert het niets op. De zonen en kleinzonen van de mannen die Steinbeck waarnam zitten nog steeds verstild in hun koffiebeker te kijken, wat dat betreft lijkt er niets veranderd. Maar als je de tijd neemt gebeurt er meestal wel wat. Zelfs in Maine.

Neem Al’s Diner, in het gehucht Mars Hill, waar ik beland omdat we slapen in de tegenoverliggende Bear Paw Inn. Het is woensdagochtend 29 september, kwart over zeven. Grote groepen ganzen vliegen over, gakkend in de ochtendkoelte. Binnen is het druk. Er wordt in de buurt een pijplijn naar Alaska aangelegd, en de arbeiders verzamelen zich hier. Zoals overal ter wereld zitten boeren bij boeren, werkers bij werkers, burgers bij burgers. De mannen – geruite hemden, honkbalpetten – zijn zwaar als de aardappels die ze hun leven lang uit de grond hebben getrokken. Een scheef lopende boer met bretels en een donkere bril staat op en komt mij, vreemdeling, een hand geven. „Hij is de miljonair van deze buurt”, fluistert mijn buurman. „Maar hij doet veel voor de mensen hier.” De mannen eten hun Super Sunrise Breakfast en praten ondertussen over het weer, de oogst, de belasting en andere lotgevallen die een mens bezighouden.

Mijn buurman aan de bar heet David. Hij bracht zijn leven door in de bossen, als houtzager, hij is nu gepensioneerd. Toevallig staan in de ochtendkrant net de uitslagen van de laatste Amerikaanse volkstelling. David heeft het stuk ook gezien: van al het geld dat in Amerika wordt verdiend krijgt de rijkste 20 procent van de bevolking, degenen met een inkomen van meer dan honderdduizend dollar, tegenwoordig bijna de helft, om precies te zijn 49,4 procent. De armste 20 procent krijgt een dertigste, 3,4 procent. De verhouding tussen de armste en de rijkste inkomensgroepen is nu dus 1 op 14. In 1968 was dat 1 op 7,6.

„Ik heb mijn leven lang verzekeringen moeten betalen”, gromt David. „Deze boeren hier, miljonairs soms, hoefden bijna niets af te dragen omdat ze, zo werd gezegd, de mensen werk gaven. Maar er werd niet bij verteld dat ik tien dollar per uur ving, en dat mijn baas wel vijfentwintig aan mij verdiende. Toch kregen ze die korting. Zo is het met alles: al die extra belastingkortingen voor de rijken, dat gaat maar door. Dat iemand veel verdient, prima, maar dat hij dan ook nog eens extra wordt bevoordeeld, terwijl ik alles moet betalen, dat is toch te dol? Na acht jaar Bush snakten we naar verandering. We stemden allemaal op hem, maar er gebeurde niets.”

Nog een handvol gegevens: het aantal huishoudens dat leeft op voedselbonnen steeg met maar liefst 2 miljoen, tot 11,7 miljoen; het aantal getrouwde echtparen daalt – de mensen stellen hun huwelijk uit omdat ze geen werk hebben en onzeker zijn over hun economische toekomst; tweederde van de Amerikanen verwacht dat hun kinderen het minder zullen krijgen dan zijzelf.

Is dat het grote verschil sinds de jaren zestig? De vorige dag had ik een poos zitten praten met een gepensioneerd echtpaar. „Iedereen was toen misschien wel armer”, had de vrouw gezegd, „maar de stemming was heel anders. Als je naar college ging, wist je dat je na afloop een baan had. En als je een baan had, wist je dat je daarna ook een auto kon kopen.” De man: „En als je een weekloon per maand opzijlegde, wist je dat je van de bank genoeg geld kon krijgen om een huis te kopen. En je wist dat je na een paar jaar een groter huis kon kopen en dat het oude in waarde was gestegen. Al die zekerheden zijn voor onze kinderen verdwenen.”

David zegt iets soortgelijks: „In 1960 verdiende ik vijfentwintig dollar per week, en daarvan kon een gezin leven. Nu moeten bijna overal mannen én vrouwen werken om het hoofd boven water te houden.” En verder? „Als je bij een goed bedrijf werkte, zoals het mijne, dan was je goed verzekerd en je pensioen was goed geregeld. Daar kon je van op aan. Tot zo’n tien jaar geleden. Alles is aan het glijden geslagen, niets is meer zeker.”

Dit is een voorpublicatie van het nieuwe boek van Geert Mak. Reizen zonder John - Op zoek naar Amerika . Het verschijnt op 23 augustus en kost 34,95 euro. ISBN 9789045020846