1. Slootjespringen

Of vollediger: slootjespringen en nat naar huis zompen. Of alleen een natte poot halen. Verwante begrippen: met de hakken over de sloot, nat gaan, een nat pak halen, zeikes gaan, vissies zijn wezen kijken, klets- en kletsnat worden.

Het hogere doel: polderen, ofwel lekker door de weilanden zwerven.

Variant 1: met een polsstok, die dan precies halverwege stokstijf vast blijft zitten in de blauwe klei.

Variant 2: Vlotje piepen. Lange aanloop nemen en op een grote drijvende plank, een balk of een vlotje richting overkant glijden.

2. Geheime hut bouwen

Zonder toezicht van ouders of wie dan ook. In het bos of de bosjes, het riet of het fluitekruid. Liefst dankzij gebruik van een eigen, vlijmscherp geslepen zakmes.

Variant 1: de boomhut. Met takelsysteem voor overlevingswaar en slingerende touwladder. Hogeschool: een boomhut boven het water.

Variant 2: de onderaardse hut. Uitgraven. En dan een dak van gevlochten takken en graspollen. Onvindbaar voor volwassenen. Sterke lijstverbinding met nr. 3. Voor het snelle werk is er de hut in en van het fluitekruid, of het riet, mais of graan. Geheime gang en plaatsje platstampen, dak er zo opgelegd.

Speciale veiligheidstip: niet zeuren over gevaar, mensen.

3. Fikkie stoken

Het mooist: niet met uit de keukenla meegepikte lucifers, maar met een vergrootglas. Of vuurstenen.

Vervolg: er naar gaan ruiken, en daardoor thuis door de mand vallen. Of: je modderkleren erbij drogen, en dan helemáál stinken. Mooi: bekijken wat allemaal in het vuur wil branden, en wat niet. En van het land gejatte aardappels poffen.

Gouden combinatie: fikkie stoken én stokbrood maken. Een stok schillen, daaromheen deeg rollen, dat roosteren, warm opeten met verbrande stukken en al. Er niet van opkijken als het resultaat zowel verkoold als ongaar is. Boter en suiker in het gat maakt veel goed.

4. Boompje klimmen

Een dag uit zicht op een dikke tak zitten voor het eenzame-heersersgevoel. Vogels kijken mag ook. Beuken zijn overigens het best. Maar een 150 jaar oude, dicht vertakte hoge taxus is ook fijn, en sparren hebben iets aparts.

Variant: een dunnere boom op een winderige dag, en je mee laten zwiepen. Goede lijstcombinatie met nummer 9: vruchten plukken en eten. Maar daar moet de boom zich voor lenen. Ook sterke lijstverbinding met nummer 24: pijl en boog maken.

Belangrijk onderdeel: uit de boom vallen en merken dat de grond meer meegeeft dan je dacht.

5. Buiten slapen

Onder een sterrenhemel slapen. Of gewoon op je rug naar (vallende) sterren liggen kijken, en minstens het steelpannetje leren onderscheiden. In de natuur, maar op veranda of balkon is ook goed.

6. Kleddernat worden

In een zomerse stortbui liggen, lopen of fietsen, en de druppels van je neus likken. Of buitenspelen met je blote voeten op ’t warme asfalt, met een afgebroken boomtak als paraplu. Variant: in de meiregen blootshoofds lopen en hopen dat je dan harder groeit. Goede combinatie met in plassen stampen. En dan liefst zolang dat je kaplaarzen minstens halfvol lopen.

Bonus: bij echt on- en noodweer bij vreemde mensen in huis schuilen. Ook fijn: droog blijven, maar luisteren naar de regen op het tentdak.

7. Het ijs op

Na twee nachten vorst al het ijs op de slootjes uitproberen. Met een beetje geluk zakt je vriendje er tot aan zijn middel door. Zelf met één voet door het ijs zakken – een zeikerd dan wel kletspoot halen.

Maar ook: sterren slaan in het ijs, schotsje springen, krakkie lopen (het ijs in een sloot stuktrappen en zorgen dat het water niet in je schoen loopt), met een aanloop ijssie piepen en brouwen (al verder richting overkant glijden voordat je erdoor zakt), rennen over het dunne ijs (je adem inhoudend om jezelf lichter te maken, iedere snelle stap een gat achter je), over kruiend ijs lopen aan de dijk, en natuurlijk zoempie trappen.

Daarna: hele dagen op het ijs zijn, tot de zon onder gaat. Schaatsen op de sloot en de boerenslootjes, of een echte natuurtocht – en luisteren hoe het ijs geluid maakt (tjoeink-tjoeink).

Wat ook kan: over het ijs naar de geheimzinnige plek aan de overkant lopen, die je in de zomer al zag.

8. Naar kikkervisjes kijken

Een klomp kikkerdril zoeken of kikkervisjes vangen en uit laten komen en op laten groeien in een doorzichtige bak. Kijken hoe ze kikkertje worden, tot en met de pootjes. Wel bealgde waterplanten en ander voedsel erbij, ze leven niet van de lucht, en een eilandje voor de vroegste voorlopers. En ondertussen een mooie plek verzinnen om ze uit te zetten. (Niet tussen de eenden. )

9. Vruchten plukken

Bramen vers van de struik, je vingers rood zien worden van de schrammen en het sap, en ongeveer net zo veel in je verzamelblikje stoppen als in je mond. Frambozen en wilde aardbeien mag ook. Of bosbessen, en daar dan blauwe handen en lippen van krijgen. En dan iemand zoenen.

Aanbevolen vervolg: er zelf jam van maken.

10. Voor een dier zorgen

Zoals een konijn voeren met de beste klaver, of het blije paard van de buren naar de wei brengen, een koeiestaart kammen. Ook geestelijke zorg telt: eitjes rapen uit het hok en de kippen een beetje verlegen bedanken en troosten, of waken bij een zieke hond.

Zielige wilde dieren helpen kan ook. Een halfdood vogeltje vinden en bedenken wat je ermee doen moet. Of jonge vogeltjes grootbrengen, zoals verlaten eendjes waarmee het dan toch nog helemaal goed komt. Padden en slakken helpen oversteken telt ook. Net als een vis redden uit ondiep water. Of lieveheersbeestjes uit de branding redden.

Bonus: zien hoe de kauw die je weer liet verwilderen, zich als een stipje uit een verre groep losmaakt, op je afvliegt – en op je fietsstuur landt.

11. Zandkasteel bouwen

Een zandkasteel bouwen aan het strand, compleet met grachten, en dat verdedigen tegen de opkomende vloed. En dan, ondanks snelle en knappe noodgrepen en inzet van de hele familie, roemloos ten onder gaan. Variant: Kust verdedigen. Een kringdijk op het strand maken, erin gaan zitten, wachten tot de golven komen – en je dan zo lang mogelijk redden.

12. Vissen met een schepnet

Met een schepnet in de sloot kleine waterbeestjes en stekeltjes vangen. Er helemaal in opgaan, en dan opeens merken dat er een levensgevaarlijke snoek doodstil voor je in het water staat. Ook goed: kikkers vangen met je blote handen of salamanders met een worm aan een touwtje (geen haak) en even bekijken.

Variant: aan de waterkant op je buik liggend kijken wat er allemaal beweegt. Een kikker diep in de ogen staren, je stil houden voor een salamander, een spin onder water zien verdwijnen.

13. Schatgraven

Bijvoorbeeld graven naar porseleinen scherven in de bosjes van het plantsoen, pijpenkopjes en andere schatten in bouwgrond, of naar haaientanden zoeken op het strand.

Varianten:speuren naar slakken, kabouters, vogelnestjes, eekhoorntjes, uilenballen, vlierbessen, meikevers (van die lekkere dikke), huid van een vervelde slang, een afgevallen gewei, een klavertjevier, beukennootjes en kastanjes; mooie stenen, schelpen, fossielen, botjes, botten en schedels; paddestoelen; de beste boombladeren en die in boeken stoppen; mooie veren en zacht dons; mooie plukjes schapenwol; de regenboog, en: Stilte.

Verwant: ’s ochtends vroeg strandjutten.

14. Wild zwemmen

Wild zwemmen, zomaar in onderbroek, of bloot. Van een oever vol hoog gras in een riviertje stappen om te zwemmen in het donkere water – dat moet een keer. In de hoge golven van de Noordzee ook. Extra mooi: naar de overkant van een rivier of meertje zwemmen, of naar een eilandje. Het liefst in water dat naar moeras ruikt.

Goed voor mooie ontmoetingen. Bijvoorbeeld: zwemmen in de Zaan, en er niet van opkijken dat een rat een eindje met je op zwemt.

Bonus: de modder als enge drab tussen je tenen voelen, en af en toe het gevoel hebben dat er een paling om je voet kronkelt.

15. Kleine-beestjessafari

Op kruip-door-sluip-doorpaadjes in het park of in de tuin beestjes zoeken: slakken, lieveheersbeestjes, libellen, kevertjes. Helemaal opgaan in een mierenstroom, en die broodkruimels voeren. Of: een hommel aaien, een dikke vette kruisspin vangen met je blote handen, of toch ten minste een hooiwagen.

Belangrijk: stippen tellen van een lieveheersbeestje en zo zien hoe oud het is. Daarna weg laten vliegen van de top van je wijsvinger en een wens doen. Ook mooi: rupsen laten verpoppen in glazen potten en kijken wat voor vlinder eruit komt.

Geen tuin? Onder een straattegel kijken – wat leeft daar toch? Mieren hun eitjes door de gangen zien slepen. En een dikke pier op je neus leggen.

16. Een vlot maken

Zelf een vlot maken en te water laten. En dan in de sloot achter je huis een wereldreis maken. Hoeft niet ingewikkeld: een oude deur of pallet met wat lege flessen eraan; een mooi stuk piepschuim, met een gat voor de mast. Het hoeft ook niet goed, want samen vergaan is het mooist.

Variant: in een klein of wrak bootje varen, dat je steeds leeg moet scheppen. Extra goed: bij onweer aan land gaan, en dan merken dat je in een weiland vol stieren staat.

17. De sneeuw in

Eerst: de ochtend na een nacht sneeuwval luisteren naar de stilte. Een hap sneeuw in je mond laten smelten, de sneeuw onder je voeten voelen en horen knerpen. En dan: een sneeuwfort bouwen, een sneeuwman maken, levensgevaarlijk van een helling afvliegen met de slee, een iglo maken waarvan het dak instort, een buurtsneeuwballengevecht houden, en op straat de langste sneeuwglijbaan ooit maken en voorbijgangers uitdagen mee te doen. Ook mooi: met zijn allen op sleetjes aan een touw achter de auto van de buurman door de straten glijden, en bijna helemaal uit de bocht vliegen.

18. Naar wild speuren

Liefst ’s ochtends vroeg of in de avondschemer naar reeën, herten of wilde zwijnen speuren – en soms misschien wel een vos. Voor de mooiste herinnering: alleen met je vader.

Variant: in je eentje sporen zoeken op de grond. Bonus: een gifslang zien.

19. Dammetjes bouwen

Het betere waterwerk: dammen bouwen of juist afwateringskanalen graven in stroompjes water. Slootjes afstoppen, beekjes afdammen en verleggen. Kan ook met grote trots in het buitenland. Bijvoorbeeld: de Donau afdammen (daar waar die als dertig centimeter breed stroompje begint).

Verwant: de Hollandse waterwerken nabouwen op het strand.

20. Uit eigen tuintje eten

Een eigen tuintje hebben zonder bemoeienis van ouders met wat er in moet. Iets zaaien, poten, en het zien groeien – en daarna opeten. Soms eerst klaarmaken, zoals tuinbonen doppen in de zon, en je dan verbazen over het zachte fluweel van de dop.

Een schooltuintje is ook goed. Of: het hele kleine tuintje, zoals een zelf gekweekte zonnebloem naast de voordeur die steeds maar groter wordt, een uit een pinda gekweekte plant waar zomaar nieuwe pinda’s aan komen. Of: een boon of wat sterrenkers op een nat watje.

21. Een vlieger maken

Zelf een vlieger maken en daarna eindeloos naar de Hollandse Lucht staren. Belangrijk onderdeel: een briefje met een boodschap langs het touw omhoog sturen.

Verwant: je zelfgemaakte bootje zien varen waar de wind het wil.

22. Bloemen plukken

Plukken voor je moeder, of om zelf ‘odeklonje’ of parfum te maken. Variant: veldboeket compleet met kluitjes, oorwurmen en ander gedierte, en je moeder zegt geraakt: ach, dit is zo mooi, dit zetten we… in de tuin, kunnen we het vanuit alle kamers zien/ bij Maria / bij opa op het kerkhof. Ook goed: de pluizen van een paardenbloem blazen en bekijken hoe lang je nog leeft (elk pluisje dat blijft staan, telt voor één jaar).

Verwant: op weg naar school de nectar uit de bloempjes van een dovenetel zuigen. De zaaddozen van springbalsemien laten knappen. En: planten en bloemen thuis drogen in de ongebruikte encyclopedie van je ouders, en dan vergeten.

23. Het tentje in de tuin

Slapen in een zelf van oude lakens en lappen gemaakt tentje in de tuin, zonder ouders maar met nachtgeluiden. (Ooit egels gehoord die de liefde bedrijven? Een enorm lawaai: zo tussen snuiven en niezen in.) En vocht, en een beetje kou. Variant: er toch niet in durven slapen (maar met je broer erbij weer wel).

24. Pijl en boog maken

Pijl en boog liefst knap gesneden met moeders Variant: katapult maken. Of met een pvc-buis – zo’n gelig-witte elektriciteitsleiding – sneeuwbessen, lijmbessen of andere bessen schieten. Of: van tijdschriftrepen gedraaide papieren pijltjes, met een mooi ‘ffflopp’-geluid. (Munitie over je riem hangen).

25. Nachtelijke tocht

Een nachtwandeling in een groot bos maken, liefst zo donker mogelijk. Tip: zonder zaklamp zie je meer.

Kan ook met speurtocht, er mag geen mobieltje of tablet mee. Geen spannende dieren? Dan Dodende Straal spelen, met zaklantarens (liefst die met codekleuren, die je ervoor kunt draaien) en je dan toch opeens een rolberoerte schrikken van een wegspringend hert.

Variant 1: in het holst van de nacht sluipend naar boeven gaan zoeken in de buurt, maar alleen de politie tegen het lijf lopen. (En dan thuisgebracht worden. De agent vraagt boos aan je moeder: ‘Mag uw kind dat?’, en je moeder, net zo boos: ‘Ja, natúúrlijk.’ En daarna krijg je ontzettende straf.)

Variant 2: ’s nachts in een oplichtend wit sneeuwlandschap lopen, onder zwarte hemel.

26. Buitengeluiden

Een grasspriet laten schreeuwen door erop te blazen. Schel fluiten op een schelp, eikeldopje of slakkenhuis. Of blazen op een ligusterblaadje, voor een nat geluid van een beest dat niet bestaat. Hogere school: een fluit maken van fluitekruid, vlier en lijsterbes.

Variant: op je handpalmen het geluid van een uil maken, want dat doen de indianen ook om elkaar een signaal te geven. (Hard op je vingers fluiten kan iedereen, dat noemen we hier niet.)

27. Wolken kijken

Op je rug in het gras liggen en naar de voort schuivende wolken kijken – en zien welke monsters, gezichten of landen erin verstopt zitten. En elkaar die aanwijzen. Het best in een weiland, met een strootje in de mond. Of in een duinpannetje, waar niemand je ziet.

Hoge school: net zo lang kijken totdat je je voelt bewegen, samen met de wereld, en de wolken stilstaan.

28. Kalfje op je hand

laten zuigen

En voelen dat het geen pijn doet, en hoe zacht en warm de wang en hoe ruw de tong is.

29. Appels jatten

Uit een boomgaard. Varianten: peren pikken, kersen stelen bij de buren, stiekem pruimen plukken of aardbeien jatten. Risicofactor: onder een net moeten kruipen en dan gezien worden door de buurman.

Ervaringsfeit: de smaak van een gekochte appel haalt het in de verste verte niet bij de smaak van een gestolen appel, al is die laatste onrijp. Of wormstekig.

Ook toegestaan: een mooie suikerbiet klauwen van de rijdende wagen van de boer, die dat allang weet maar toch wel boos wil doen.

30. Tussen koeien zitten

In het weiland ertussen lopen mag ook. Of ze naar de wei of de stal brengen, ook al hebben ze je onderweg niet echt nodig.

Ook goed: vanaf de andere kant van het hek jonge koeien aan het rennen krijgen, ze lekker gras geven waar ze zelf net niet bij kunnen, wakker worden van het loeien van een koe, eens op een koe zitten of koeien zonder poten zien zweven in de lage avondnevel.

Hogeschool: mondharmonica spelen voor de koeien, hun gesnuif en warme adem heel dichtbij – en loeiend lopen ze mee zo ver ze kunnen.

31. Een leeuwerik horen

Een leeuwerik horen jubelen en andere vogelgeluiden leren kennen. Verplicht: in het voorjaar luisteren naar de grutto’s, kieviten en een wulp. Ook goed: naar vogels kijken. En niet te missen: overtrekkende ganzen horen én zien.

32. Het hooi in

Tussen de hooischelven, in de hooiberg of op de hooizolder: allemaal perfect. Verstoppertje spelen of er een hol maken, klimmen of vallen, verhalen vertellen en slapen. Doktertje spelen kan daar ook goed.

Het mooiste: boven op een schommelende hooiwagen meerijden, onder de blauwe lucht. En aan het eind van een zomerdag helpen hooien, maar er dan mee gaan gooien.

33. Een dier begraven

Een buiten gevonden dood diertje een mooie begrafenis geven, met bloempjes en een kruisje. Later weer opgraven mag, om te kijken.

34. Gewond raken

Brede categorie, met aanraders als: een gat in je knie hebben en nog dagen lekker de korsten pulken, een goed gat in je hoofd, een levendige bult op je kop, schrammen en schaafwonden, blauwe plekken, tand door je lip, een splinter hebben.

Bonus: je eigen bloed proeven, met die geheimzinnige ijzersmaak.

Ook goed: gestoken worden door een bij of wesp, of gebeten door een rode bosmier. En merken dat het dan toch wel meevalt, net als wanneer je in de brandnetels bent gevallen. En: een beetje trots zien hoe groot een teek werd van jóuw bloed. Advies van lezers: niet te moeilijk doen over veiligheid, een beetje bloed is niet erg.

35. Geboorte meemaken

...van hondjes, katjes, een kalf, een veulen, een geitje, lammetjes. Het mooiste: zelf meehelpen. Ook goed: een zeug met haar biggen meemaken, een geit met haar geitjes.

Hoge school: een schijnbaar dood geboren kalfje redden met mond op mond beademing – goed voor jarenlange trots.

36. Op blote voeten lopen

...dauwtrappend in het gras, in warm zand of zachte modder, door kleine golfjes, in regenplassen, of op een grindpad, een kale akker. Aanbevolen apart geval: door een koeienvlaai zakken die toch hard leek. En voor de echte hobbyist: koeienvlaaien glijden met je blote voeten. Maar volgens kenners zijn de meeste koeienvlaaien tegenwoordig te ongezond pappig, zonder mooie korst, dus zoek een goede wei.

37. Wildplassen

In de bosjes of ergens anders in het wild. Terwijl het gras aan je billen kriebelt met prettig ontzag zien hoe je stroomafwaarts geul-erosie aanricht. (En zie je plas bij koud weer eens dampen). Andere categorieën: samen vér plassen vanaf een muur of steiger, hoogplassen rondom een boom, figuurplassen in de sneeuw.

Ook goed: het gestookte fikkie blussen als mannen onder elkaar, liefst met een rietsigaar rokend in de mond. Of: op weg naar school met alle jongens op een rij tegelijk van de kade piesen. Elke ochtend, en dat er dan niemand van opkijkt.

Speciaal geval uit de categorie durfdingen met je beste vriendjes: op schrikdraad piesen. (Met een regenworm doorbijten scoor je ook goed.)

38. Jonge vogels kijken

En daardoor te laat of niet op school komen. Daarvoor natuurlijk elke dag: kijken of de eitjes al uitkomen. En merken hoe trots zwanen hun nest verdedigen, hoe tevreden eenden broeden. Jonge vogeltjes zijn eigenlijk allemaal leuk, ze tellen allemaal. Ook die van de huismerel.

39. De zon zien

Het zonlicht door de bladeren van de boomkruinen zien flonkeren en door je wimpers laten spelen. De zon zien opkomen, liefst vanuit een bootje. En: de zon in de zee zien zakken en horen sissen.

Variant: de zon bundelen met een vergrootglas en dan een mooi patroon branden op een stok. Of een tekening in een plank. Of alle zwarte letters uit de krant branden – zo krijg je een lichtkrant, die je nog wel een beetje kunt lezen. Wat aardser, maar wel zo fijn: je schoenveter met je loep laten smeulen, dat ruikt geweldig. Ofwel: een stinkie maken.

40. Vluchten

Het ontlopen van de boswachter, boze boer, buur of boomgaardeigenaar in verband met andere lijstonderdelen naar keuze. De boer het liefst met vervaarlijke klompen, de boswachter met zijn geweer, anderen liefst met gebalde vuist.

Variant voor de bebouwde kom: vluchten na belletje trekken.

41. Krabben vangen

Krabben vang je met een blote mossel in een wasknijper aan een touwtje, of aan een spriet helmgras. Die mossel vind je bij de basaltblokken van de pier. En dan een krabbenrace houden: kijken welke het eerst weer bij het water is.

Variant: garnalen vangen. Waden met een schuifnet. Nobel weer vrijlaten, of: de grootste op een brandertje in zeewater koken, kijken hoe ze verkleuren, ze pellen en opeten.

42. Steentjes keilen

Met opa steentjes gooien: ver gooien, mooi gooien, hoog gooien, groot en zwaar gooien.

43. Heksensoep brouwen

Allerlei planten, bessen, en alles wat er interessant uitziet met slootwater mengen – dan gaat het na een paar dagen lekker stinken. Goed roeren met een stok.

44. Kuil graven

Zo’n diepe kuil graven dat je er zelf een beetje bang van wordt. Naar het grondwater, het natte zand of het donker. Of: vakkundig een afgedekte valkuil op je eigen geheime paadje maken, met brandnetels op de bodem, om je geheime hut echt geheim te houden. En die dan zelf vergeten. Zie ook nummer 2: een geheime hut bouwen.

Verwant: je tot je hoofd laten ingraven in het zand. En heel lang wachten, voordat je het zand laat barsten.

45. Van een dijk rollen

Liggen, armen langs je lijf en rollen maar, je neus door het gras. Van een duin kan ook. Of: er van af rennen, en overeind blijven, of niet. In dat laatste geval is wolken kijken (zie 27) een mooi vervolg.

46. Creatief met natuur

Drijvende kunst: bloempjes, dennenappels of steentjes op een plankje of tak leggen, en weg laten drijven – en dan kijken hoe je kunst vergaat. Of: zelf een bootje fabrieken van takjes, bladeren, lisdodden of riet en dat in een stroompje weg laten varen.

Variant 1: de webspiegel. In de herfst een ontbladerd wilgentakje in de vorm van een handspiegel draaien, en door bedauwde spinnenwebben halen.

Variant 2: schelpenschilderij. Op het strand met schelpen en wier en wat je nog meer kunt vinden grote schilderijen maken, en hopen dat er niemand doorheen loopt.

Variant 3: een suikerbiet uithollen en transformeren tot doodskop met een kaarsje erin, als voor een Hollands halloween.

Een kunst apart: het geketende madeliefje. Een kroontje, armband of ketting maken van madeliefjes, voor jezelf, voor je moeder, of zomaar iemand. Het stengeltje onder de bloem met een nagel tussen duim en wijsvinger splijten, en het volgende stengeltje er doorhalen. Schaalvergroting: kan ook met margrieten uit de berm.

47. Landjepik spelen

Land veroveren met een zakmes. In de klei of het zand een stuk land tekenen en met een mesworp om de beurt een stuk grond proberen te veroveren. Vanaf jouw kant in het gebied van je vijand gooien, de grond in. De richting van het lemmet van het mes geeft de nieuwe grenslijn aan.

48. In bladeren liggen

Of door je vader in een berg bladeren gegooid worden, met een mooie boog. Of je erin begraven, om iemand verschrikkelijk aan het schrikken te maken, maar er komt niemand langs. Ook goed: bladerhopen in de lucht gooien, en op elkaar. Weten dat de zomer voorbij is, maar nu lekker luidruchtig op je laarzen banjeren door het blad in het bos.

49. (Zelf) boeiend ruiken

Grindstenen tegen elkaar ketsen dat de vonken ervan afvliegen, en dan je neus ertegen – rare geur die je nooit vergeet.

Ook niet te missen: de geur van slootmodder op je kleren, de zee al ruiken voordat je die ziet, stiekem en terloops de geur van meisjeshaar in de zon opsnuiven, je neus in het dons van een warm kuikentje stoppen, een beetje ruiken naar je eigen hond, naar paard of naar warm gras.

50. Verdwalen

Maar dat kan alleen per ongeluk. In de vrije natuur, in het maisveld bij je oma, in de stad. Nee, géén mobieltje bij je. Zomaar dolen is ook goed. Struinen en maar zien waar je uitkomt is knap, later verleer je dat.