Zeuren in een ziekenhuis

Voor iemand als ik, liefhebber van ziekenhuissoaps, ziet Gebroken wit, het vierde boek van Carla de Jong, er aanlokkelijk uit. Op het omslag kijkt een mooi opgemaakte dame sereen het beeld uit. Ik zie de gesteven kraag van haar witte verpleegsterstenue en ook nog een hoekje van het vertrouwenwekkende verpleegsterskapje. Wat wil je nog meer? Een degelijke doktersroman, zo lijkt het, met veel medische verwikkelingen, compleet met platonische liefdesgeschiedenis op de achtergrond.

De roman speelt zich af in ‘het Middenlandziekenhuis. Het ziekenhuis komt in opspraak nadat er tot twee keer toe ernstige fouten zijn gemaakt op de kraamafdeling, met fatale afloop. Eerst sterft er een gezonde baby omdat de bevalling te lang duurt en de arts-assistent zijn humeurige supervisor niet uit bed durft te bellen. Een paar maanden later bloedt een kraamvrouw dood omdat dezelfde chagrijnige gynaecoloog weigert te komen. Het boek is opgebouwd rondom de afwikkeling van deze incidenten, die het hele ziekenhuis in rep en roer brengen. Wie is er precies verantwoordelijk? Welke koppen moeten er rollen? En wie schuift de verantwoordelijkheid het handigst af?

Twee doden door medische fouten. Dat klinkt interessant, maar ook actueel. In mei van dit jaar kondigde Edith Schippers, minister van Volksgezondheid, aan dat zij iets wilde doen aan de vele medische fouten in Nederlandse ziekenhuizen: jaarlijks rond de 1950 dodelijke slachtoffers, ongeveer 15 per ziekenhuis. Met twee dodelijke missers doet het Middenlandziekenhuis het dus bovengemiddeld goed.

Zoals Anna Enquist een tijdlang meeliep op de afdeling anesthesiologie van het VU-ziekenhuis in Amsterdam om haar roman De verdovers (2011) te kunnen schrijven, zo deed De Jong enige research op een trauma-afdeling.

Als we Gebroken wit mogen geloven, dan gaat het er in een ziekenhuis vaak chaotisch toe. Er is permanent een grote hoeveelheid hardwerkende verplegers, artsen, schoonmakers en bestuurders op de been, maar dit legertje wordt aangevuld met ‘willekeurige uitzendkrachten [...], onervaren artsen [...] en oververmoeide werknemers die inschattingsfouten maken.’ Geen wonder dus, wil ze maar zeggen, dat er regelmatig fouten worden gemaakt die een patiënt zomaar het leven kunnen kosten. Daardoor is het wit in een ziekenhuis nooit hagelwit, hooguit gebroken wit. Het zijn verontrustende geluiden, maar wat doet De Jong er mee?

Zij laat afwisselend vier betrokkenen aan het woord, een verpleegkundige, een nabestaande, een bestuurder en een arts, die ieder hun zegje mogen doen over de pijnlijke gebeurtenissen. Het moet allemaal anders, vinden ze. Maar hoe? Meer witte jassen? Meer respect voor de verpleging? Meevoelende managers of juist strenge procedurebewakers?

Ze komen er niet echt uit. Kunnen bezorgde ziekenhuisdirecteuren hier hun voordeel mee doen? Ik betwijfel het. De Jong vult de getuigenissen op met zoveel andersoortige details en bijzonderheden dat het niet goed mogelijk is hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden. Rijzen er dan misschien mooie psychologische portretten op van de romanfiguren van wie zo uitgebreid de doopceel wordt gelicht? Ook dat is niet echt het geval omdat er teveel zijdelingse verwikkelingen bij worden gesleept.

Het probleem met Gebroken wit is vooral dat De Jong geen maat weet te houden. Ze kijkt niet op een woord, een bladzij of een gemeenplaats meer of minder. Er is geen zin of er staan te veel bijvoeglijke naamwoorden in. ‘Ze voelde een lichte schaamte bij die dik aangezette woorden.’ Iets is hier niet gewoon saai, maar ‘bloedstollend’ saai. Een contrast is ‘schril’, een drang ‘intens’, agressie ‘nauw verholen’ en iemand verricht een ‘zichtbare’ inspanning. Maar vooral verliest zij zich in bijfiguren en oninteressante details. Een overleden vader die MS had. De oranje zitzak van een zwangere vriendin. Tenenkrommende citaten uit oude liefdesbrieven van een demente moeder. Over de vrouw van de bestuurder lezen we dat zij ‘een beige joggingbroek’ draagt ‘van een bespottelijk duur merk’, die haar billen ‘prettig accentueren’. Ook moeten we weten dat zij broodjes opensnijdt met een ‘gekarteld’ mes. En dat ze die eerst ‘aan de binnenkant’ besmeert (dus niet aan de buitenkant) met mayonaise, voordat ze er ‘gebroken ijsbergsla’ op ‘drapeert’ en ‘dunne gekartelde schijfjes tomaat.’ En dan de hamburgers en de uienringen nog. En niet te vergeten ‘het toefje ketchup om het helemaal af te maken.’

Anna Enquist wist een heel eigen draai te geven aan haar ‘stage’ in het ziekenhuis. Maar Carla de Jong baarde, om nog even in kraamtermen te blijven, een babbelziek monster. Het praat moeiteloos 338 bladzijden vol, maar je wordt er geen steek wijzer van.