Waar blijven die privébewakers?

Ook Nederland moet private begeleiders inzetten om schepen tegen piraten te beschermen, zo stelt Geert-Jan Knoops.

Illustratie Jianping Fan

Als het gaat om de bescherming van onze koopvaardijvloot tegen piraten, behoort de zwaardmacht – het geweldsmonopolie – dan exclusief bij Defensie te liggen? Ja en nee.

Ja, omdat dit in artikel 97 van de grondwet staat. Nee, omdat de internationale gemeenschap private bescherming erkent en reguleert.

Hoe zit dit nu juridisch? In de discussie hierover spelen twee, tot dusverre onderbelicht gebleven, juridische beginselen een rol.

Ten eerste: het gelijkheidsbeginsel, zoals ook in artikel 2 van het Verdrag van Lissabon verankerd, is één van de hoekstenen van de Europese Unie (EU) en impliceert dat alle EU- burgers gelijk behandeld dienen te worden.

Nederland is één van de laatste binnen de EU overgebleven landen die private maritime security companies (PMSC’s) niet toelaat. Spanje, Portugal en Noorwegen hebben de inzet van private beveiligers al formeel geregeld. Onlangs beslisten België, Duitsland en Italië ook om de mogelijkheid tot private beveiliging wettelijk te garanderen.

Reeds in 2011 is door de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie van professor Van Vollenhoven bij de Tweede Kamer een voorstel ingediend om ook Nederlandse reders gebruik te laten maken van private maritieme beveiligers. Zijn voorstel: maak een drietrapsraket. Primair: de nationale marine garandeert de beveiliging op volle zee. Subsidiair: de marine huurt externe mensen in. En meer subsidiair: de inzet van PMSC’s.

Al in mei 2011 hebben de Verenigde Naties via de Internationale Maritieme Organisatie richtlijnen uitgevaardigd om gebruik van gewapende privébeveiligers aan boord van schepen te reguleren, hetgeen blijk geeft van een gewijzigd mondiaal inzicht in de verschuiving van de zwaardmacht.

Waarom verschuift in de genoemde landen wel deze zwaardmacht en in Nederland niet? Dit roept een spanningsveld op met het genoemde gelijkheidsbeginsel. Temeer als men bedenkt dat Nederlandse reders 5.000 euro per dag moeten afdragen aan Defensie voor het meevaren van beveiligingsteams, de zogeheten vessel protection detachments. Andere EU-landen vragen geen betaling.

Slechts weinigen hebben zich de vraag gesteld naar de wettelijke basis voor deze betaling. Deze is namelijk niet aanwijsbaar. Als men al van oordeel is dat de beveiliging van onze koopvaardijvloot behoort tot de zwaardmachttaak van Defensie, dan kan er geen juridisch valide grondslag zijn dat de overheid voor deze grondwettelijke taak een betaling vraagt. In dat geval zou bijvoorbeeld de KNVB ook moeten gaan betalen voor de politiebijstand en bescherming van voetbalstadions.

Er is ook een tweede beginsel dat vragen oproept bij het argument van de zwaardmacht, namelijk artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op leven waarborgt. Zo bepaalde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Osman versus het Verenigd Koninkrijk in 1998 dat de Staat passende en zelfs „preventieve operationele” maatregelen moet nemen om het recht op leven te waarborgen en kwalificeert dit als een positieve verplichting.

De positieve verplichting die uit dit artikel 2 voortvloeit, brengt met zich mee dat ook ten aanzien van reders die onder de Nederlandse vlag door risicogebieden varen, de staat de verplichting heeft om de veiligheid en het recht op leven van deze personen te garanderen en hen (onbetaald) adequate bescherming te bieden. Kan dit niet worden uitgevoerd – reders moeten vaak binnen 24 uur opereren – dan moet de Staat alternatieve beschermingsmaatregelen nemen, zo kan uit het Osman arrest volgen.

Bovendien, waarom laat de Nederlandse staat wel haar eigen ambassades in bijvoorbeeld Afghanistan door private military security companies beveiligen?

Om de richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie om te zetten in Nederlands recht volstaat een enkele Algemene Maatregel van Bestuur of een Ministeriële Regeling, een aanpassing van de bestaande Circulaire Wet Wapens en Munitie 2005 (waarin een meer omvattend vergunningen- en certificeringsstelsel kan worden opgenomen) alsook een duidelijke inkadering van de precieze geweldsinstructies (rules of engagement) waaraan PMSC’s zich moeten houden.

Kortom, beziet men het enige argument van de Nederlandse overheid om tot dusverre de private beveiligers buiten de deur te houden, dan moet gezegd zijn dat het hier om een juridisch weinig overtuigend argument gaat.

En belangrijker, waar ook de Stichting Maatschappij Veiligheid en Politie al voor waarschuwde: door de inzet van private beveiliging niet te reguleren, faciliteert men illegaliteit en een leegloop van de Nederlandse koopvaardijvloot.

Nu de VN en de EU de noodzaak van de inzet van deze beveiligers inzien, zou het Nederlandse standpunt – of eigen koudwatervrees – heroverwogen dienen te worden. Ook onze Grondwet behoort met de realiteit van het recht mee te evolueren.

Geert-Jan Knoops is hoogleraar internationaal strafrecht en advocaat bij Knoops’ advocaten te Amsterdam.