Voor Venus gaat geen zee te hoog

Al eeuwen wordt bekeken hoe, hoe lang, waar en wanneer Venus de zon passeert. Op5/6 juni was het weer zo ver. Een avonturenboek over Venus-voyeurs en hun reisleed.

Venus voor de zon zien passeren – we hebben het op 6 juni kunnen meemaken. De planeet schuift als een zwart rondje langzaam van links naar rechts over de zonneschijf. Venusovergangen doen zich tweemaal per eeuw voor, met acht jaar tussenruimte. Astronomen raken bij dit kosmisch verschijnsel in een absolute staat van paraatheid.

In de Leidse Universiteitsbibliotheek werden onlangs de berekeningen van Christiaan Huygens ontdekt uit het overgangsjaar 1693. Hij bestudeerde de Venusbaan ten opzichte van die van de aarde, tevens stelde hij vast waar Venus de zon ‘binnenkwam’.

Andrea Wulf publiceerde Venus achterna, over de geschiedenis van de Venusovergang-studie. Ook bij haar aandacht voor de 1639-overgang, de eerste die is beschreven. Centraal in haar boek echter staat het overgangenpaar 1761/1769. De Engelse sterrenkundige Edmond Halley (naar wie de bekende komeet werd vernoemd) had deze al in 1716 voorspeld, in een verhandeling over de noodzakelijkheid van een mondiaal project om de overgang waar te nemen. Als de exacte tijdsduur zou kunnen worden gemeten, zou men met die gegevens de afstand van de aarde tot de zon kunnen berekenen, essentieel om de grootte van ons zonnestelsel te kennen.

Druppeleffect

Het lijkt simpel. Je stelt een telescoop met beroete lenzen op (nooit in de zon kijken!) en drukt de stopwatch in zodra het zwarte rondje de zon raakt. Nogmaals drukken als het rondje de zon voorbij is. Maar zelfs in deze moderne setting doen zich al problemen voor. Zodra Venus de zon bijna raakt, stulpt het rondje uit en ontstaat het zogenaamde ‘druppeleffect’. Hetzelfde bij het ‘uitgaan’. Wanneer moet je indrukken?

Dan zijn er nog de eeuwige hinderpalen, zoals een wolkengordijn of duisternis. In de jaren zestig van de 18de eeuw was de stopwatch nog niet geboren, en de gewone klokken liepen lang niet allemaal gelijk. En er waren meer complicaties. De tijd die Venus nodig heeft om de zonneschijf te passeren verschilt op elke waarnemingsplek. Het is dus nodig vanuit de meest uiteenlopende punten te observeren. Van Oxford tot Manilla, van Noordkaap tot Vuurland, liefst op zoveel mogelijk plekken. Het gemiddelde van alle meetgegevens komt het dichtst bij de ware afstand. Halley sprak zelfs van een ‘mondiaal’ project, alle bezwaren en geschillen (geld, oorlog) zouden opzij moeten worden gezet om de 18de-eeuwse Venusovergangen niet te missen.

Uiteraard vergelijkt Andrea Wulf in Venus achterna de uiteindelijke uitkomsten van de metingen in beide overgangsjaren, die inderdaad op grote schaal hebben plaatsgehad. Tussen aarde en zon zouden zich zo’n 150 miljoen kilometer uitstrekken – niet zo gek, men zat slechts 1,25 miljoen naast de afstand die tegenwoordig wordt gemeten. De afstanden die de waarnemers moesten afleggen om gunstige observatiepunten te bereiken leken echter vaak nog groter, dankzij alle struikelstenen en hinderpalen onderweg.

Siberisch Tobolsk

Wulfs beschrijvingen van al die wetenschappelijke reizigers naar hun buitenposten maken van Venus achterna een fijn en bont avonturenboek. Ik geef één voorbeeld. Wulf volgt de Franse astronoom Jean-Baptiste Chappe d’Auteroche (1722-1769), die in 1761 voor de Russische Academie van Wetenschappen in het Siberische Tobolsk de Venuswaarnemingen gaat doen. Hij vertrekt uit Parijs, in Straatsburg gaat acht dagen later zijn rijtuig stuk en daarmee thermometers en barometers. Eenmaal bij de Donau kan vanwege mist maar een paar uur per dag worden gevaren. Chappe houdt goede moed. Na Wenen weer de koets in, de onderzoeker rijdt dag en nacht door. De wielen breken. Nieuw rijtuig belandt in de sloot. Er ligt al sneeuw, elf graden onder nul. Alle kisten met instrumenten uitgeladen. Er sneuvelt het een en ander – gerinkel. Rijtuig op het land gebracht, inladen, voorwaarts weer. Na enkele dagen verder over het ijs, de koets zakt er meermalen door, de paarden komen niet vooruit. Sneeuwjacht met ijskogels, koetsier gaat er vandoor. In Riga overstappen in de arrenslee, een kilometer verder blijkt geen sneeuw te liggen. In het rijtuig dan maar weer. Vlak voor Petersburg zitten ze uren begraven in een sneeuwbank. Daar is Petersburg. Dan is het nog 2700 kilometer naar Tobolsk, het is drie maanden voor de overgang. Per slee opnieuw. Hoge snelheid, heerlijk. Over de Wolga. De sleden kantelen regelmatig, de lente komt door. Het ijs begint te smelten. De laatste tachtig kilometer. Koud zweet, mismoedigheid. De tijd dringt. Gaat hij het halen? Personeel weigert dienst, brandewijn ingeroepen. Beschonken jaagt men voort over een vlies van ijs. En eindelijk, godlof: daar is Tobolsk!

Heldenwerk, de astronomie in die dagen. Alles voor de wetenschap. Dat is de boodschap van Andrea Wulfs hoogst interessante Venus achterna. Jammer dat ze niet nog beter schrijven kan. Ze houdt de vaart erin, het is hier en daar toch nogal clichématig. Maar de boodschap komt over: de vooruitgang van ons weten is niet aan zwakkelingen te danken.