Verkering

Toen ik een jaar of vijfentwintig was, werd ik hevig verliefd op een vrouw die ik ontmoette op een feestje. Ze was bij haar man weggelopen en we raakten daarover in gesprek. Het klikte, zoals dat heet, wat de volgende avond resulteerde in een afspraak bij haar thuis op haar vluchtadres. Daar viel de eerste kus. Maar er waren meer kapers op de kust. De bel ging en daar was Jan Montijn, nog een vrijer die dong naar de gunsten van deze Penelope.

„Glaasje wijn, jongens?” Glaasje wijn. Nog zie ik ons daar zitten, zij tussen ons in, beiden wachtend op het moment dat de ander op zou hoepelen. Uiteindelijk heb ik hem de deur uit weten te zwijgen. Meteen stond ze op en leidde mij naar haar slaaphoek. Ik mocht de nacht bij haar doorbrengen.

Omdat ze haar echtgenoot had verlaten, moest ze in haar eigen onderhoud voorzien door te werken in een Chinees restaurant. Terwijl we de liefde bedreven, rook ze niet alleen naar een parfum waarvan ik naam en merknaam onthouden heb: Je reviens van Worth , maar ook nog hevig naar bami goreng. Nog jaren later, als ik bij de Chinees at en een dame aan een belendend tafeltje naar hetzelfde parfum rook, begon mijn hart sneller te kloppen. Aaaaah....Yvonne.

Want haar belangstelling voor mij was van korte duur geweest. De volgende avond, toen ik bijna hijgend van verliefdheid bij haar aanklopte, zei ze: „Je moet maar niet meer komen. Ik ben weer met Anton.” Achter haar ontwaarde ik de gestalte van Anton Heyboer. Terwijl ik wegliep, hoorde ik hem belangstellend vragen: „Blijft-ie niet eten?”

Ik was diep ontgoocheld, maar achteraf weet ik zeker dat het gemengd was met een gevoel van opluchting. Ik zocht de vrouwen er op uit. Diep in mijn hart had ik toen nog een panische angst voor al te vaste verkering.

Jawel. Bindingsangst, wat u zegt.