'Terroristen zijn lieverdjes hier'

De Kaukasus is schitterend en gastvrij. Toch komen er weinig toeristen. Want een mensenleven is er weinig waard.

Reizen door de Kaukasus is gevaarlijk en ontroerend tegelijk. Want ook al loop je er het aanzienlijke risico bij een terreuraanslag, een politionele actie, een moord of een gijzeling betrokken te raken, het gewone volk dat je er ontmoet is hartelijk en beminnelijk.

Nergens word je zo snel aan tafel genood en ben je – gemeend -– de beste vrienden als daar, omdat in het Westen verdampte begrippen als gastvrijheid en eergevoel er nog altijd inhoud hebben. Daartegenover staat dat een mensenleven er niets waard is. Op de noordelijke Kaukasus woedt namelijk al twintig jaar een burgeroorlog tussen datzelfde gastvrije volk en zijn lokale heersers, die op hun beurt weer de losbandige zetbazen van de federale regering in Moskou zijn.

Er gaat geen dag voorbij of er wordt in de roerige deelrepublieken Dagestan of Ingoesjetië een hoge politieofficier omgebracht. Terreurdaden die overigens worden gepleegd vanuit datzelfde eergevoel. Je moet die aanslagen zien als wraak voor het illegale gedrag van de door en door corrupte politie en lokale machthebbers. Het is er oog om oog, tand om tand in het kwadraat.

Behalve het mooie Georgië met zijn wijngaarden, cultuurschatten en van drank en spijzen genietende inwoners, trekt de Kaukasus met haar fraaie landschappen door dat geweld weinig toeristen aan. Of het moeten westerse bergbeklimmers zijn, die in Kabardino-Balkarië de imposante Elbroes beklimmen om na hun triomf snel huiswaarts te keren.

Voor journalisten, correspondenten van westerse media voorop, is het gebied echter aantrekkelijk, juist omdat het de achilleshiel van Rusland is. Alles wijkt er zo af van wat ze in het klatergoud van het centrum van Moskou gewend zijn, dat ze zich er in een Fundgrube wanen, waar de ene na de andere exotische reportage zich zomaar aandient.

Een van die correspondenten is de 27-jarige Olaf Koens. Sinds 2008 doet hij als Kuifje in Absurdistan voor onder meer persbureau GPD en RTL vanuit Moskou verslag van de gebeurtenissen in de landen van de voormalige Sovjet-Unie. Humor, ernst en verbazing wisselen elkaar af in zijn adequate berichtgeving. Diezelfde combinatie van kwaliteiten kom je ook tegen in zijn reisboek Koorddansen in de Kaukasus.

Zo kun je om Koens’ kennismaking met die roerige streek hardop lachen om vervolgens pijn in je buik van angst te krijgen. ‘Klang!’ schrijft hij bijvoorbeeld. ‘De haan van het handpistool slaat met een schelle klap terug. Mijn buurman heeft de loop op mijn voorhoofd gezet, vlak boven mijn neus.’ Op die manier introduceert hij zijn agressieve, van de Kaukasus afkomstige buurman, die eist dat hij de muziek in zijn nieuwe Moskouse appartement zachter zet. ‘Het is een familie van politieagenten’, zegt een bejaarde buurvrouw even later, ‘de vader is nog erger.’

Als drie jaar later twee jonge vrouwen uit Dagestan zich opblazen in de Moskouse metro, blijkt de Kaukasus ineens bij het Kremlin om de hoek te liggen. Koens’ fascinatie voor het gebied schiet nu uit de tangverlossing en hij besluit erheen te gaan, vliegend in krakkemikkige vliegtuigen en rijdend over primitieve wegen, waar het gevaar om iedere hoek loert.

Koens laat zijn avonturen beginnen in Abchazië, de sprookjesachtige separatistische provincie van Georgië, die in de burgeroorlog van 1992 door Georgische troepen in puin is geschoten en zich sinds de vijfdaagse Russisch-Georgische oorlog van augustus 2008 onafhankelijk noemt. Het straatarme land bestaat eigenlijk diplomatiek niet, zegt een Nederlandse diplomaat in Georgië over de telefoon nadat Koens ’s nachts in de hoofdstad Soechoemi op straat is beroofd en geen geld meer heeft om terug te reizen. Met andere woorden: het Koninkrijk der Nederlanden kan niets voor u doen.

Wanneer de politiechef van Soechoemi zich met de straatroof gaat bemoeien (‘Alle jongeren oppakken, geen vragen stellen en gewoon de bak in slingeren tot ik terugkom’), krijgt hij twee agenten mee voor zijn veiligheid. ‘Niet opschrijven dat we allemaal criminelen zijn’, zegt de majoor geruststellend. ‘Er zitten gewoon een paar rotte appels tussen.’

Dat die rotte appels het grootste deel van het politiekorps op de Kaukasus uitmaken blijkt echter uit Koens’ verdere Kaukasische belevenissen. De politie als bron van het steeds verder escalerende conflict tussen burgers en overheid, als de meest corrupte instantie van het land, die al het federale geld uit Moskou in eigen zakken steekt en ervoor zorgt dat de toenemende armoede de lokale bevolking steeds meer in de armen van de fundamentalistische islam drijft.

In Tsjetsjenië, waar de bloeddorstige potentaat Kadyrov de scepter zwaait, is die corruptie misschien wel het ergst. Koens beschrijft de megalomanie van de wrede dictator aan de hand van de paleizen en moskeeën die hij voor zichzelf, laat bouwen – op staatskosten natuurlijk.

Als toegift dient Koens Ruud Gullit op, die zo naïef was om zich door zijn nog naïevere adviseurs te laten overhalen Kadyrovs privévoetbalclub te gaan coachen om die van de veertiende plaats in de Russische competitie naar boven te laten kruipen. Zijn verslag van Gullits mislukte avontuur is de gebruikelijke hilarische cocktail met angst, valse hoop en bedrog als ingrediënten.

Via de geld verslindende bouwprojecten in Sotsji, decor van de Winterspelen van 2014, en een fundamentalistisch islamitisch dorp in het seculiere Azerbeidzjan, belandt Koens in het hart van de Kaukasische duisternis: Dagestan. In de hoofdstad Machatsjkala trotseert hij het alomtegenwoordige gevaar van dagelijkse bomaanslagen om het museum voor schone kunsten te bezoeken, waar tal van Hollandse meesters hangen die daar in de jaren dertig op last van Stalin terecht zijn gekomen, omdat de kunst van het hele volk moest zijn.

Ook spreekt Koens er met een ‘eerlijke’ politieman die hem vertelt hoe het systeem van corruptie bij de politie werkt: ‘Ik moet smeergeld betalen om niet corrupt te zijn.’ Verkeersagenten rijden er in fonkelnieuwe Porsches. Van de tientallen moorden die er jaarlijks in Machatsjkala plaatsvinden wordt er geen opgelost. De voorzitter van de Dagestaanse politiebond zal daar even later een nog grotere waarheid aan toevoegen: ‘Die terroristen zijn lieverdjes vergeleken bij wat onze jongens hier uitvreten.’

En daarmee vat Koens het hele problematiek van de regio samen in een enkele uitspraak. Dat hij enkele bladzijden verder bij een verkeerscontrole in Ingoesjetië door politiemannen wordt gedwongen steekpenningen te betalen als hij geen zeep in zijn kont gesmeerd wil krijgen (‘Je moet ons iets geven.’), is dan hoogstens nog een amusante bijzaak, die hij op inventieve wijze, met een paar Hollandse klompjes, weet op te lossen.