Soldaat, lees uw drilinstructies!

De oudste gedrukte militaire boeken dateren uit renaissancistisch Italië. Hier kwam in de 19de eeuw de militaire publicistiek op gang. Lezen in het leger deden vooral officieren. Maar een onderofficier schreef een handboek over militaire exercities.

Redde wie zich redden kan! Op 9 mei 1787 verloor een bataljon van het Staatse leger een gevecht van een eenheid patriotten. De Staatse soldaten hadden zo veel haast om te vluchten dat ze hun ransels achterlieten op het slagveld. Van 153 van deze rugzakken is destijds de inhoud genoteerd. Daardoor weten we wat deze groep militairen zoal las.

Enkele voorbeelden: soldaat J.D. Kern had een Engels gebedenboekje bij zich en Hendrik Krijnen een psalmenboekje. Tot de mobiele regimentsbibliotheek, die ook was achtergelaten, behoorde onder meer een exemplaar van het Groot militair woordenboek uit 1740, een foliant van enkele kilo’s. Kortom: de eind 18de-eeuwse Nederlandse soldaat was een lezer, bezorgd om zijn zieleheil, maar ook geïnteresseerd in de fijne kneepjes van zijn vak.

De vondst van de ransels staat beschreven in het boek Gewapend met kennis, waarin Louis Sloos, conservator literatuur en bibliothecaris van het Legermuseum in Delft, vijf eeuwen militaire boekcultuur in Nederland onderzoekt. Sloos promoveerde op deze studie aan de Leidse universiteit. Zijn dissertatie is niet laagdrempelig, maar voor wie geïnteresseerd is in militaire historie en boekgeschiedenis, biedt dit proefschrift een uitputtende en fraai geïllustreerde inventarisatie van vijfhonderd jaar lezen over de kunst van het oorlogvoeren.

De oudste gedrukte militaire werken zijn afkomstig uit het Italië van de Renaissance. De boekdrukkunst, die medio 15de eeuw werd uitgevonden, kwam goed van pas bij de verspreiding van de nieuwste militaire inzichten in het door oorlog geteisterde land. Steeds betere buskruitwapens zorgden voor een wedloop tussen kanonniers en vestingbouwers. Over hoe je een stad het beste kon belegeren en verdedigen, vond in deze boeken een levendige discussie plaats.

Nederland bleef niet ver achter. In Utrecht verscheen in 1473 een gedrukte versie van De Re Militari, een werk van de 4de-eeuwse Romeinse auteur Vegetius. Toen de Opstand uitbrak en de oorlog met Spanje begon, nam de militaire publicistiek een vlucht. De bekende Antwerpse drukker Plantijn drukte in 1579 op verzoek van Willem van Oranje bijvoorbeeld een boek over stedenbouw en belegering dat was geschreven door Marco da Pasino, een Italiaanse ingenieur in Nederlandse dienst. Een jaar later verscheen bij Plantijn een eerste Nederlands militair reglement.

Naast deze wat meer theoretische werken, verscheen er ook praktisch materiaal. In 1607 publiceerde Jacob de Gheyn Wapenhandelinghe van roers mvsquetten ende spiesen, waarin het gebruik van deze handwapens uit de doeken werd gedaan. Sloos merkt op dat het officiersonderwijs, waarbij dit soort boeken werd gebruikt, tot de 19de eeuw vooral gericht was op artillerie- en genieofficieren.

Opvallend was dat veel van de in Nederland gepubliceerde werken niet van vaderlandse auteurs afkomstig waren. Het betrof meestal vertalingen of heruitgaven van buitenlandse boeken. Pas in de 19de eeuw kwam de Nederlandse militaire publicistiek echt op gang. De aanstoot hiervoor kwam uit het buitenland: de oorlogen die volgden op de Franse Revolutie en de opkomst van Napoleon.

Klantenboeken

Sloos heeft ook onderzocht door wie al deze boeken werden gekocht. Hij doet dat aan de hand van een reeks klantenboeken uit de 19de eeuw van een Zeeuwse boekhandel en een aantal boedelinventarissen uit de 18de eeuw. Wat blijkt? Vooral kapiteins lazen graag een boek. Kennelijk waren deze officieren uit het middenkader het leergierigst.

Lezende soldaten en onderofficieren waren tot het begin van de 19de eeuw een uitzondering. Een zeer opvallende uitzondering op die regel was Johannes Richard, sergeant bij het Regiment Hollandse Garde te voet. Deze onderofficier las niet alleen boeken, hij schreef ze ook. Zijn Regelement op de exercitien, en evolutien, van de infanterie, van den staat uit 1771 was hét handboek op het gebied van drilinstructies. Richard, die als sergeant decennialang leiding gaf aan dit soort oefeningen, had besloten zijn kennis op papier te zetten. En niet zonder succes. Veel officieren tekenden van tevoren in op het reglement en de bijbehorende atlas waarin de exercities waren uitgebeeld.

De werken van Richard en veel andere militaire boeken werden overigens gedrukt door reguliere uitgevers. Daarmee liep Nederland uit de pas met de rest van Europa, waar de gespecialiseerde militaire uitgever al eerder zijn intrede had gedaan. Pas toen de Nederlandse legerleiding in de loop van de 19de eeuw haar invloed over de inhoud van het militaire boek probeerde te vergroten, ontstonden ook hier zulke uitgeverijen.

Rond deze tijd nam het Nederlandse leger ook de taak op zich zijn soldaten op te voeden. Er verscheen een fiks aantal militair-zedenkundige boeken. In de Gids voor den jongen militair uit 1869 schrijft de auteur bijvoorbeeld ook een hoofdstuk over ‘beleefdheid’. Daarover zegt hij: ‘De beleefdheid is geen bepaald militaire deugd, maar de onbeleefdheid is een militaire ondeugd.’

Sloos belandt uiteindelijk in de 21ste eeuw. Hij concludeert dat militairen tot op de dag van vandaag gebruik maken van gedrukte boeken. Een feit dat hem als boekhistoricus deugd doet. Want een e-book is voor een wetenschapper natuurlijk een stuk minder interessant dan al die prachtige papieren boeken die in Gewapend met kennis voorbij marcheren.