‘Opa was verdomde dapper’

Het familiegeheim over zijn grootvader, een kolonel in het Nederlands-Indië van de politionele acties, dwong Hans Goedkoop diens leven te reconstrueren. ‘Mijn boek gaat over herinneren en vergeten.’

Hans Goedkoop: ‘Je familiegeschiedenis bekijk je van binnenuit, de grote geschiedenis van veraf’ Foto Katrijn van Giel

l bijna een halve eeuw sluimerde er een geheim in de familie van Hans Goedkoop, historicus biograaf en presentator van het programma Andere Tijden. Op een dag zag hij het bioscoopjournaal van 1949, afkomstig uit het archief van Beeld en Geluid, de onuitputtelijke bron voor vele afleveringen van het televisieprogramma. Een collega zei tegen hem: „Kijk eens, jouw grootvader staat erop. Hij heeft toch gevochten in Indië?”

Hans Goedkoop (1963) kon zijn ogen niet geloven: „Het waren beelden uit 1949 over het vertrek van de Nederlandse troepen uit Djokjakarta. Mijn grootvader, kolonel Van Langen, neemt voor de laatste keer de inspectie af. Zijn gezicht staat strak. Hij draagt een gevechtskostuum. De hand aan de pet.” Door de lege straten van de Indonesische stad rijden Nederlandse jeeps. De militairen ontruimen de stad. Dit afscheid, gesymboliseerd door het strijken van de Nederlandse vlag, markeert het einde van de politionele acties en vormt de aanzet tot een soeverein Indonesië.

Het woonhuis van Goedkoop in de Amsterdamse binnenstad is een voormalig 17de-eeuws pakhuis. Op de houten vloeren hebben misschien wel specerijen en vruchten uit het voormalige Nederlands-Indië gerust. Zijn boek De laatste man. Een herinnering begint met een nauwkeurige beschrijving van de Polygoonfilm. Dat is zo knap gedaan, dat de lezer zich meteen in 1949 waant, het jaar van de onafhankelijkheid van Indonesië.

In dit boek gaat Goedkoop op zoek naar dat familiegeheim over grootvader D.R.A. van Langen, kolonel in Nederlands-Indië. Later bevorderd tot generaal-majoor. Maar, eenmaal teruggekeerd na de politionele acties, aan de kant geschoven in eigen land.

De ondertitel van uw boek luidt ‘Een herinnering’. Maar feitelijk betreft uw boek een reconstructie.

„Mijn boek gaat in essentie over herinneren en vergeten, hoe herinneringen werken en hoe herinneringen in de loop van de jaren de werkelijkheid vertekenen. Voor mij als historicus was het een schok te ontdekken dat je eigen leven en dat van je familie onderdeel kunnen zijn van de geschiedenis.

„De verwikkelingen rond de onafhankelijkheid van Indonesië, de gruwelijke oorlog die we er voerden onder de keurige naam politionele acties kende ik. Ik wist dat mijn opa als hooggeplaatst militair was betrokken bij de politionele acties. De ontruiming van Djokja had plaats onder zijn verantwoordelijkheid. Voor mij is de kern dat de grote geschiedenis en mijn familiegeschiedenis lange tijd gescheiden compartimenten waren. Je familiegeschiedenis bekijk je van binnenuit, de grote geschiedenis van veraf. Ze kwamen voor mij lange tijd niet bij elkaar.

„Meteen nadat ik Polygoonbeelden had gezien, belde ik mijn moeder. Ik vroeg haar honderduit. Had zij die film ooit gezien? Wat wist zij nog over haar vader? Zij moest zich dat journaal toch herinneren. Maar tot mijn verbazing antwoordde ze ontwijkend, in de trant van: ‘Je zou denken dat ik het gezien heb. Maar ik herinner het me niet.’”

Een van de eerste woorden uit uw boek is ‘spijt’. Spijt waarvan?

„Voor ons kinderen, maar ook voor mijn moeder en haar zussen waren er nauwelijks verhalen. Opa en oma zaten in Indië, de kinderen in Nederland. Wat was er werkelijk gebeurd?

„Vier jaar geleden is mijn moeder overleden. Op de ochtend dat ik afscheid van haar nam bij de open kist had ik inderdaad spijt dat ik haar niet meer had gevraagd over het levenslot van opa. Ik had moeten doorvragen waar zij ontwijkende antwoorden gaf. Heel vaak zei ze: ‘Ach lieverd, je moest dóór.’ Ik werd geconfronteerd met twee feiten die ik niet met elkaar kon verzoenen. In mijn boek vergelijk ik dat alsof je linkeroog andere dingen ziet dan je rechteroog.

„Mijn grootvader werd na de politionele acties gehonoreerd met de Bronzen Leeuw wegens militaire verdiensten. Hij ontving zelfs de rang van generaal-majoor. Maar op de dag dat het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) op 25 juli 1950 werd ontbonden, hield meteen zijn salaris op. In Nederland kreeg hij geen fatsoenlijke betrekking en sleet hij zijn dagen als adviseur van de locale brandweer. Hoe kan dat? Wat was er in Indië gebeurd? Hij raakte verbitterd. Alles waarvoor hij zich had ingezet, liet de Nederlandse regering uit handen vallen, was kapot.”

Hoe zag uw grootvader zijn plek in Indië en zijn rol in de politionele acties?

„Mijn grootvader was in zijn familie de derde Indische generatie. Zijn vrouw, mijn oma dus, was een kwart Indisch, ikzelf ben voor een zestiende Indisch. Alles in het leven van mijn opa was verbonden met Indië. Het was zijn vaderland. Na de Indonesische onafhankelijkheid mocht hij terug naar Nederland, hij werd in patria gestuurd. Met een mooi, verdoezelend woord heet dat ‘repatriëren’. Maar dat was onzin. Het was zoiets als emigreren naar de andere kant van de wereld, naar een geheel vreemde omgeving. Hij zette zich in voor het behoud van Nederlands-Indië. Dat beschouwde hij als zijn taak.

„Ik verzet me tegen het al te gemakkelijke, tamelijk simpele moralisme waarmee wordt gesproken over de militairen die betrokken waren bij de politionele acties. Minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft in 1995 gezegd dat Nederland in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond’. Dat is vast en zeker waar, het hele kolonialisme stond aan de verkeerde kant. Maar een man als mijn opa was daarginds geboren. Moet ik hem dat kwalijk nemen? Moraal wordt pas interessant als je een keus hebt. En de morele keuzes van mijn opa waren af en toe verdomde dapper. Dat vind ik minstens zo belangrijk als die weidse moraal van Bot.”

Uw boek heeft een bijzondere structuur: u schakelt van zoektocht naar reflectie, van beschouwing over de werking van herinnering naar persoonlijke overweging. Waarom?

„Ik ben begonnen met mijn eigen vragen. Hoe kan het dat een man met zo’n staat van dienst zo in de marge verdwijnt? Ik zocht in de archieven naar een logisch antwoord, maar vond zoveel tegenstrijdigs en ongrijpbaars dat de ene vraag de andere opriep.

„Het boekje is een zoektocht naar een kwijtgeraakte man uit een kwijtgeraakt land. Het gaat over wat er niet meer is en wat vergeten en verzwegen wordt. Dan kom je er niet met stukken uit archieven op een rijtje te zetten. Dan moet je interpreteren, speculeren, en dan kun je je eigen rol in alle eerlijkheid niet meer buiten beeld houden. Ik vind hardop nadenken altijd veel interessanter dan doen of je verhaal zo klaar als een klontje is. Wat interessant is, is nooit klaar als een klontje.

„Van elke stap die ik in het onderzoek nam, maakte ik aantekeningen, persoonlijke krabbels. Ik noteerde overwegingen. Feitelijk was het boek niet bedoeld voor publicatie. Ik wilde de waarheid vinden voor mijn broers en de twee zussen van mijn moeder, tantes, die nog leven. Het klinkt pathetisch, maar toen ik aan de kist van mijn moeder stond, realiseerde ik me: als ik haar en haar geschiedenis in ere wil houden, dan zal ik die zelf tot leven moeten brengen. Dat grootvader zo werd veronachtzaamd, dat hij verdwenen was in een kier van de geschiedenis vond ik tegen het eind van het werk aan het boekje onverdraaglijk toen me duidelijk werd wat hem was overkomen. Opa rekende op loyaliteit, maar die mocht hij niet ontvangen.”

In uw stapsgewijze reconstructie bereikt u een moment waarop op bijna fictieve wijze de loop der geschiedenis traceert.

„Dat klopt maar ten dele. Ik ben inlevend en speculatief gaan schrijven, maar altijd geleid door de bronnen. Als historicus probeer ik me situaties concreet voor te stellen. De nieuwe schakel die ik vond, had te maken met de ontbinding van het KNIL. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 kregen de KNIL-militairen die niet naar Nederland mochten, de zogeheten inlandse troepen, te horen dat ze onderdeel werden van een nieuw te vormen Indonesisch leger onder leiding van Soekarno. Hoe gaat zoiets in zijn werk?

„De meerderen in dat leger zijn de vijanden tegen wie je in de pas afgesloten oorlog hebt gevochten. Plots ben je in dienst van de peloppers, pemuda’s en guerrilla’s – ja, de Indonesische opstandelingen en vrijheidsstrijders. Moet je dan bewijzen dat je een goed soldaat was in gevecht tegen hen? Dat je hun opperbevelhebber Soekarno als een vijand zag met wie je niet praatte maar tegen wie je vocht?

„Mijn grootvader vond het beschamend dat de politiek die manschappen in zo’n krankzinnige positie manoeuvreerde. Hij uitte jegens politiek Den Haag zijn onvrede met de gevolgde koers en maakte duidelijk waar die toe leidde. Manschappen vreesden de toekomst en hadden van Nederland niets meer te verwachten. Ze begonnen wapenopslagplaatsen te plunderen om zichzelf straks te kunnen verdedigen. Er werd op grote schaal gedeserteerd, er heerste anarchie, er waren opstanden. Onderdelen van het KNIL dreigden in chaos ten onder te gaan. En dat is een aspect van die tijd dat later volkomen vergeten is geraakt. Er is nauwelijks over geschreven.”

Ook verrassend nieuw voor mij en vast voor velen is uw visie om oud-Indiëgangers te beschouwen als ‘toonbeelden van het verlies van Indië’.

„Ik ben bijzonder geïnteresseerd in het lot van de eenling in het grote rad van de geschiedenis. Politiek Den Haag en eigenlijk niemand in Nederland zat te wachten op de terugkeer van al die honderdduizenden Nederlanders uit Indonesië. Alleen al het aantal militairen dat betrokken was bij de politionele acties bedraagt 170.000. Onder hen bevinden zich vele inlandse manschappen, ik weet dat het woord ‘inlands’, moeilijk ligt maar ik heb geen beter. Mijn grootvader voerde het bevel over hen en hij kon het niet verdragen dat deze mannen, onder wie veel Molukkers en Ambonezen, aan hun lot werden overgelaten. Hij voelde zich verbonden met hun lot.

„Misschien is het een verzinsel van me, maar ik stel me voor dat de Indische Nederlanders of de blanken met een getinte huid door de straten van onze steden líepen. Ze maakten aanspraak op de huizen, de banen. Men keek ze na en hoorde hen denken: ‘Kijk eens, ze zijn bruin, die hebben een leven onder de zon geleid.’ Ze confronteerden de inwoners met dat smadelijke verlies van het verloren wereldrijk dat Indonesië heet.”

Met uw biografie Geluk over de toneelschrijver Herman Heijermans legde u een meesterproef af. U bent de gedroomde biograaf van Renate Rubinstein. Nu ligt hier De laatste man.

„Mijn werk aan de Rubinstein-biografie is hiermee niet gestaakt, integendeel. Er is een door mij geannoteerd en van een voorwoord voorzien werk van haar uitgekomen, onder meer de Israëlische dagboeken 1951-1954. Haar meningen waren altijd dwars, juist om de complexiteit recht te doen. Toch is haar manier van schrijven en denken van beslissende invloed op mijn schrijven. Ze schreef veel over zichzelf, dat heb ik in dit boekje ook voor het eerst gedurfd. Rubinstein zei altijd dat je moet schrijven voor de degenen die je begrijpen, en niet voor de slechte verstaander. Dan schrijf je beter, eerlijker en ongewapend. Dat probeer ik ook steeds meer.”

Het verhaal over uw grootvader staat symbolisch voor de verhalen van tienduizenden mensen die banden hebben met het voormalige Nederlands-Indië. Wat verwacht u van uw boek?

„Ergens schrijf ik: ‘Het verleden is een vreemd land en als je het in gedachten oproept, wordt het steeds een ander land.’ Dat vind ik een belangrijke waarneming. Mijn grootvader bevond zich op het kruispunt van de geschiedenis. Tegelijk met het afscheid van Indië beginnen de herinneringen, en begint ook de vertekening door de herinnering.

„Iedereen heeft een ander verhaal. Opa zweeg over de gebeurtenissen van toen. Ze zijn vaak te pijnlijk en je sprak er niet over. Voor mijn moeder was het te ver weg. Maar voor mij, opa’s kleinzoon, de derde generatie, is die historie van grote betekenis. Ik heb voldoende afstand gekregen om gewoon nieuwsgierig te worden. Ik vlei me met de hoop dat dat voor veel kinderen en kleinkinderen geldt. Er is gehoor voor verhalen van toen. Daarom hebben we een website gelanceerd, www.delaatsteman.nl, waarop iedereen zijn of haar persoonlijke verhalen over dit onderwerp kwijt kan.

„Het slot van mijn boek schreef ik snel, nauwelijks in anderhalf uur. Daarin doe ik een emotionele oproep aan alle lezers: Laat mijn grootvader niet in het gat van de geschiedenis verdwijnen. Dat geldt natuurlijk niet voor hem alleen. Ik hoop dat mijn boekje helpt om die geschiedenis te laten voortbestaan.”

Hans Goedkoop: De laatste man. Een herinnering. Atlas Contact, 96 blz. € 14,95 Website: www.delaatsteman.nl