Het hoofd in van de speurder

Lieneke Dijkzeul: Wat overblijft. Anthos, 280 blz. € 15,- ****

Waar gaat het leven uiteindelijk over? Dat is een afsluitende vraag die erg pregnant wordt als je het nog warme lijk van een man die eens een man was – maar sinds tien minuten een lijk – naast een aanrechtkastje ziet liggen. De naamloze dader in het begin van Wat overblijft heeft geen tijd om zich daar lang over te buigen, maar het sijpelt toch door in de handelingen die ze verricht om van het lijk af te komen. Het lijk moet weg, maar het is toch wel gek dat een mens ineens een lijk is geworden. Hoe terecht de dood van de man ook is, het blijft raar.

Lieneke Dijkzeul schrijft rechttoe-rechtaanthrillers en ze wordt er steeds beter in. Waar veel schrijvers merkbaar pogen zich een houding aan te meten – kom ik literair genoeg over? – begint Dijkzeul domweg aan een verhaal. Een mooi en compact verhaal. Een erudiete en alcoholische dief vindt een iPhone naast het voornoemde lijk, verkoopt dit ding in een café en zet daarmee een reeks gebeurtenissen in gang die inspecteur Vegter langdurig de verkeerde kant op doet kijken.

Het gebrek aan focus zij Vegter vergeven: zijn vrouw is dood, zijn dochter bevalt van een kleinzoon en de vrouw van zijn naaste collega Talsma is stervende. De vrouw van het lijk, de van oorsprong Somalische Asli Verkallen, heeft het ook zwaar: de familie van haar vermoorde man ziet haar steevast als ‘negerin’ en als de moeder van een mislukt kind. Zoon Keja is doof én autistisch en zodoende onbenaderbaar en ongenaakbaar; hij fungeert als een emotioneel nulpunt in het familiedrama dat het hart van Wat overblijft is.

Het mooie van Dijkzeuls thrillers is dat je de gedachtegang van Vegter en Talsma – zowel aan elkaar gewaagd als elkaars tegenpolen – zo goed kunt volgen. Terwijl zij trachten in de hoofden van hun verdachten te kruipen, verblijft de lezer in de hoofden van Vegter en Talsma. Meer hoeft een thriller niet te zijn: ‘entertainment’ dat duurt zolang het duurt en verwondert en verbaast, zonder veel pretenties.

Juist dat laatste verheft dit boek. Het vrolijke gejongleer met woorden van Dijkzeul draagt daar ook toe bij: katten liggen ‘tot croissant getransformeerd’ op bed, kaarsen ‘conglomereren’ op een tafeltje, daglicht ‘accordeert’ met de weersverwachting.

Wat overblijft is een uitstekende neder-thriller, niets meer en niets minder, en aldus zeer geslaagd.