En maar rondrijden in busjes vol hulpverlening

In ‘The Lower River’, de nieuwe roman van Paul Theroux, ondergaat de naïeve hoofdpersoon de problemen van hulpverlening in Malawi. Ooit ervoer Theroux die zelf ook.

Personages van Paul Theroux hebben weinig geluk wanneer ze proberen de omgeving naar hun hand te zetten. De hele wereld is een grote windmolen waarvan je het gevecht niet kan winnen – of je nou probeert een trein te halen, zoals Theroux zelf in zijn reisboeken, of een ijsmachine wilt bouwen in de jungle, zoals de hoofdpersoon van The Mosquito Coast, zijn roman uit 1982.

De weerbarstigheid van de wereld is ook het thema van Theroux’ nieuwste roman The Lower River. Zestigplusser Ellis Hock gaat na veertig jaar terug naar Malawi, zuidelijk Afrika, in een poging de gelukkigste periode uit zijn leven opnieuw te beleven. Als twintiger had hij een school en een kliniek gebouwd in een gehuchtje daar. Hij was een gewaardeerd leraar en werd vereerd als blanke slangenbezweerder. In Hocks eigen woorden: ‘Vreemd, hoe je als blanke in Afrika een soort macht hebt. Het zou juist omgekeerd moeten zijn, dat je je de buitenstaander voelt. Maar nee, er wordt ons een zekere kracht toegedicht’.

Vol goede moed keert hij terug naar het dorp om de draad weer op te pakken. Thuis heeft hij zijn ‘vijandige’ ex-vrouw en hebberige dochter achtergelaten. Hij bestelt alvast wat boeken en lesmateriaal en verwacht opnieuw met open armen ontvangen te worden. Bij aankomst blijkt echter dat de school er niet meer staat. En op de plek van de kliniek komen geen artsen meer, maar een soort medicijnmannen.

Hock is welkom zolang hij betaalt. Sterker nog: hij mag niet weg zolang er nog geld in zijn buidel zit. Eenmaal blut is de oplossing eenvoudig: hij kan verkocht worden. Niet als blanke slaaf, maar omdat blanken nu eenmaal veel geld opleveren bij hun land van herkomst.

Hock probeert te ontsnappen maar dat verergert de situatie alleen nog maar wanneer hij terechtkomt in een nog dreigender omgeving. En daaruit wordt hij gered door de leider van het dorpje dat hij zo graag wilde ontvluchten. Van zijn idealen is niets over en Hock is fysiek geruïneerd.

In eerste instantie heb je het idee van doen te hebben met een 21ste-eeuwse versie van Joseph Conrads Heart of Darkness. Hock als een soort Kurtz die vanuit morele hoogmoed in de afgrond van zijn eigen geest belandt – verbeeld door de Afrikaanse wildernis. Net als Conrad zet Theroux de wereld van de Afrikanen, in dit geval bewoners van Malawi, neer als primitief. In het Malawi van Theroux zijn de bewoners, vaak de taal onmachtig, apathisch, zijn ze bang voor slangen (alleen Hock weet ze te bezweren) en stampen halfnaakte vrouwen meel.

Er zijn twee bewoners die het goed bedoelen met Hock. De een is een misvormde, gebochelde, sprakeloze dwerg, de ander een jong meisje dat ook niet veel verder komt dan het uitstoten van wat vage klanken. Je kunt je afvragen waar dat zwijgen voor dient – het heeft vast een symbolische waarde dat ellende niet verwoord kan worden of dat een blanke schrijver niet aan de haal mag gaan met zwart leed: hoe dan ook, dat zwijgen wekt vooral ergernis op.

Zo lijkt het een beetje alsof Theroux een racistisch boek schreef – en je kunt The Lower River ook niet zomaar vergelijken met Conrads klassieker. In Dark Star Safari (2002) formuleerde hij in duidelijke termen zijn bedenkingen: ‘Heart of Darkness van Conrad is een boek vol dramatisch en zeer ergerlijk oponthoud, en zelfs de manier waarop daarvan verhaald wordt is “stoppend” – haperend en opzettelijk indirect’.

Er is dus meer aan de hand. Wil Theroux de morele superioriteit van de blanken in Afrika genadeloos wegzetten en het ontwikkelingshulpachtige idealisme van Hock terugbrengen tot de onmacht van een ijsmaker aan de Muskietenkust? Of wil hij andermaal laten zien dat je je een andere wereld niet zomaar kan toe-eigenen?

In zijn voorlaatste roman, A Dead Hand, probeerde een reisschrijver door te dringen tot de Indiase werkelijkheid – maar verder dan het aanschouwen van de hypocrisie van de rijke Indiërs en westerse consumenten kwam hij niet. De suggestie van Hock bij het weerzien met Malawi is niet voor niets dat je je in wezen als de buitenstaander zou moeten voelen. Dat voelt Hock ook nadrukkelijk en elk idee van machtig zijn verdwijnt volledig. Maar zo lijkt het weer een beetje alsof The Lower River voorspelbaar is, en dat is het juist niet.

Om twee redenen is dit een overweldigende roman. De manier waarop NGO-achtige types worden neergezet is raak en (daarom) uiterst pijnlijk. Ze rijden wat rond in busjes, laten beroemdheden vanuit helikopters landen in een hopeloos gebied om vervolgens zo snel mogelijk weer te vertrekken naar hun goed afgeschermde compounds. Buitenlandse organisaties of medewerkers van een consulaat die er al wel langer zitten zijn cynisch geworden. Beelden en uitspraken die al vaker aan de kaak zijn gesteld. Maar Theroux zet de NGO’s voortreffelijk neer als nieuwe versie op de ‘White Man’s Burden’-mentaliteit, zoals verwoord in het gelijknamige gedicht van Rudyard Kipling.

Theroux’ opvattingen over hulpverlening in Malawi schreef hij al op in Dark Star Safari (2002): ‘Ik begin inzicht te krijgen in de zinloosheid van hulpverlening in Afrika. Meestal werd die geïnspireerd door de nobelste motieven, maar het akeligste van de hele onderneming was dat niemand erdoor geïnspireerd werd. Buitenlanders hadden al zo lang hulp verleend en waren zo’n diepgeworteld verschijnsel dat de Afrikanen geen belangstelling meer hadden – als ze die al ooit gehad hadden – om zelf een dergelijk soort werk te doen’.

In The Lower River wordt dit idee in romanvorm uitgewerkt en het bewijst de kracht van fictie dat de ideeën in deze vorm meer indruk maken. Dat komt doordat discussies over ontwikkelingshulp vaak blijven steken in het signaleren van misstanden. De gesuggereerde oplossingen gaan vaak voorbij aan de directe individuele consequenties. En dat is nu juist waarom het draait in The Lower River: om mensen. Kleine gebaren, ze lijken sympathiek, maar komen verkeerd aan. Daarnaast klinkt het idee dat je als hulpverlener moet handelen vanuit de mentaliteit van een land logisch, maar de praktijk is weerbarstig: ga je niet tegen de natuur van je land in, dan ga je als vanzelf tegen je eigen natuur in. Met andere woorden: je begrijpt en voelt wat Hock doet – en je zou ook niet zo snel weten wat hij wél had moeten doen –, maar toch is ook te zien wat er verkeerd aan is. Theroux toont dat de brug tussen zien en begrijpen onoverbrugbaar is.

De andere reden dat dit een knap boek is, is dat deze roman – ondanks de wat zwaar aangezette naïviteit van Hock en het cynisme ten opzichte van hulp – betrokkenheid onthult. Het boek is ook persoonlijker want Theroux werkte zelf in 1963 als leraar in Malawi. Die ervaringen verwerkte hij al in Jungle Lovers (1971).

De sleutel tot deze betrokkenheid is wederom te vinden in het reisboek Dark Star Safari. Want Theroux was in Malawi al net zo gelukkig geweest als zijn onfortuinlijke hoofdpersoon, en ook hij keerde als zestigjarige nog eens terug naar de plek waar hij zijn idealen had uitgeleefd: ‘Ik zou een bezoek gaan brengen aan mijn oude school, misschien wat studieboeken afgeven en ik zou aanbieden daar een week lang les te geven, om na al die jaren mijn dank aan Malawi tot uitdrukking te brengen: de sinds lang verloren zoon die terugkeert om op zijn verjaardag iets terug te geven.’

Maar ze zaten niet op Theroux te wachten. De straten en gebouwen zijn vervallen, de jeugd bejegent hem vijandig en met afgrijzen ziet hij hoe er wordt omgegaan met de zwakken in het dorp – een misvormde dwerg wordt bespot. Theroux hoeft niet het lot van Hock te ondergaan, maar de overeenkomsten zijn groot. En waar de ervaren reisschrijver toch vooral de waarnemer blijft, werkt de fictieve Hock vertederend in zijn angsten en mislukte pogingen de omgeving eerst te veranderen om die daarna te ontvluchten.

Wat Theroux zag, weet hij via Hock dreigend neer te zetten. De reisschrijver analyseert de problemen, zijn romanpersonage ondergaat ze. Uiteindelijk blijven de werelden van hulpverlener en ontvanger in een wurggreep achter die zelfs door een slangenbezweerder als Hock niet ontward kan worden.