De Bovenbazen (76)

‘Door fusies, aanwassen, saneringen en manipuleringen is deze geringe munt aangegroeid tot een onberekenbare grootheid. Men ziet dat zo dikwijls; fusies voegen vele nullen aan een één toe. En die kan niet meer worden losgemaakt. Volgt u me?’

‘Nee,’ zei Tom Poes. ‘Waarom kan mijn duit er niet uit met de hele aangroei?’

‘Kijk,’ legde de secretaris uit, langzaam en duidelijk sprekend. ‘Groot geld trekt kleingeld aan. Of anders gezegd: Groot kapitaal leidt tot fusie. Het kan niet splitsen, begrijpt u? Het is onbeweeglijk.’

‘O,’ zei Tom Poes. ‘Onbeweeglijk. Ja, ja. Dus daarom kan die duit er niet uit. Hm. Maar als heer Ollies geld nu eens in beweging zou komen?’

‘Aha!’ riep de ander. ‘Ja, dan! Maar dat kan niet, geachte heer! Geld trekt geld en bij een bovenbaas kan er alleen maar bij. Daarom blijft het onbeweeglijk. Geloof me.’

Nu, op dat moment ondervond heer Ollie de waarheid van deze woorden. Hij was er na veel gefrutsel in geslaagd zijn kluisdeur te openen en daarop betrad hij met het toestelletje van Kwetal de geïsoleerde ruimte. Zijn onthutste blikken bleven rusten op een enorme geldbal, die zacht flonkerde in het licht van de lampen. Maar hij had geen tijd om zich lang over zijn vermogen te verbazen. Het geld dat hij bij zich droeg fladderde hem met rukken de zakken uit, zodat hij het evenwicht verloor en rinkelend op de grond tuimelde, terwijl de futvoeder op de hoop terechtkwam.