Achter de uitlaatgassen wacht het Suikerfeest

Elk jaar ondernemen miljoenen Indonesiërs een lange reis naar hun familie in de desa’s om het einde van de ramadan te vieren. Vliegtuigen, boten, bussen, treinen, brommertaxi’s, alles zit vol.

Met veel moeite worstelen Paijo en ik ons de bus in. Het gangpad staat vol met dozen, vaten en koffers. Dat krijg je als je de laatste kaartjes koopt, dan mag je als laatste instappen. Maar waar zijn onze zitplaatsen? „Tja, het is Suikerfeest, dat begrijpt u toch wel”, zegt Syamsul, die de kaartjes verkocht. Ik wurm me tussen een jonge man en een vrouw met haar zoontje in. Paijo zit op een koffer in het gangpad.

Voor het eerst neem ik deel aan mudik, de jaarlijkse trek van de stad naar het platteland in de dagen voor het Suikerfeest. Een Indonesische volksverhuizing, een van de grootste ter wereld. Geplande reistijd: minstens 14 uur. Ik ga mee met Paijo (40), onze hulp in de huishouding die al vier jaar bij ons in Jakarta woont. We reizen naar de desa van zijn overleden vrouw, in Centraal-Java. Hun zoontje woont daar nu bij oma.

Moslims die in de grote stad werken, gaan nu terug naar hun familie om het belangrijkste islamitische feest van het jaar te vieren. Sommige lokale media spreken van 16 miljoen reizigers, andere houden het op 22 miljoen. Vliegtuigen, boten, bussen, treinen: alles zit vol. Zo’n 7 miljoen Indonesiërs verlaten Jakarta. Het is de enige tijd van het jaar dat in de hoofdstad geen files staan. De lucht is blauw, bij gebrek aan smog.

Het is ook de tijd dat welgestelde inwoners van Jakarta hun huispersoneel moeten missen. Dienstmeisjes, de chauffeur, de kokkin, de ‘babysister’: allemaal gaan ze naar het platteland. Sommige families zijn zo onthand dat ze een van de reservehulpen aannemen die zich op posters aanbieden. Anderen boeken een Suikerfeest-pakket in een hotel – inclusief oppasservice.

Met het vertrekkende huispersoneel zitten wij nu in de bus. Veel twintigers, veel vrouwen. Met talloze telefoontjes en sms’jes heeft Paijo plaatsen geregeld in een rechtstreekse bus naar het naburige dorp Wadas Lintan. Voor 165.000 roepia (14 euro), ruim het dubbele van de normale prijs.

Het is 4 uur ’s middags en we rijden. Eerst over de tolweg naar Bandung, had Syamsul gezegd. Om de Jalan Pantura te mijden, de vroegere Grote Postweg langs de noordkust van Java, waar meestal de langste files staan. Er is geen airconditioning, dus iedereen plakt. Slechts weinigen vasten; dat is meer iets voor ouderen en de welgestelde middenklasse. Achterin wordt gerookt. De voertaal is hier geen Indonesisch, maar Javaans.

Medereizigers vertellen hoe ze in Jakarta heimwee hebben naar „de kampong”, waar ze soms alleen met het Suikerfeest komen. Het is er lekker rustig, fris en groen. Ouders, broertjes en zusjes wonen daar nog. Maar hoe kun je er geld verdienen? „Ik wil niet op het rijstveld werken”, zegt Adi (27), die gehurkt op de stoel naast me zit. „Te heet en te vermoeiend.” Bovendien moeten ze hun ouders helpen. Adi is nu privéchauffeur voor een familie uit Sumatra bij wie hij inwoont. Zijn vrouw en zoontje ziet hij zo’n drie keer per jaar.

Terwijl mijn medepassagiers in Jakarta onderaan de ladder staan, maken ze in hun dorp straks de blits. Ze hebben nieuwe kleren en een Chinese smartphone gekocht, ze brengen dozen vol cadeautjes mee. Blikken koekjes, brood, kleding. En vooral contanten, zeggen ze met een zucht. Want de dertiende maand die werkgevers rond het Suikerfeest uitkeren, kunnen ze onmogelijk voor zichzelf houden. Ook Paijo, die met een maandsalaris van 120 euro relatief goed verdient, heeft voor vertrek al geld overgemaakt voor de suikerfeest-outfit van zijn vader en een gebedsdienst voor zijn vrouw.

„Mijn ouders vragen veel geld”, zegt een 16-jarig meisje dat sinds vijf maanden als nanny werkt. Als ik vraag wat voor werk haar ouders doen, begint ze uit schaamte te schateren. „Ze zoeken gras voor de geiten!” Ze twijfelt nog of ze na het Suikerfeest wel terugkeert naar Jakarta. Haar bazin zou niet de eerste zijn bij wie de nanny na de feestdagen niet meer komt opdagen.

Ver voor Bandung verlaten we de tolweg al. De plannen zijn gewijzigd: Syamsul belt constant met andere bussen en die zeggen dat het verkeer op de Jalan Pantura aardig doorrijdt. Maar nu staan we muurvast. Om ons heen staan de andere bussen: hun uitlaatgassen komen naar binnen door de openstaande bovenraampjes.

Onder ons zie ik de brommers rijden. Zij lopen het meeste gevaar tijdens de mudik. Miljoenen jonge mannen rijden naar hun kampong met achterop tassen, dozen en vaak een vrouw en kind. Ze worden moe en letten minder op. Soms merken de chauffeurs van de voorbij racende bussen hen niet op. Elk jaar komen rond de ramadan zo’n 700 reizigers om op de weg.

Paijo heeft zulke ongelukken gezien. Hij herinnert zich een jong stel, op slag dood. Omstanders lieten hun lichamen liggen langs de weg, bedekt met bananenbladeren. Zelf heeft hij gelukkig zijn brommer verkocht. De keer dat hij met de brommer van het Suikerfeest terugkeerde, duurde het zo lang voor hij weer in Jakarta was dat we nerveus werden. Na 16 uur stond hij afgepeigerd voor de deur, zijn armen trilden van het sturen. Hij had twee uur moeten wachten bij het tankstation.

Op de Jalan Pantura staat om de paar kilometer een politiepost. In heel Indonesië zijn tienduizenden agenten ingezet. Voor de ongelukken, en om overvallen te voorkomen, want ook dieven weten dat iedereen met contanten reist. Paijo vertelt hoe zij hun medepassagiers verdoven door iets in hun drankje te stoppen. Ook overvallen per hypnose komen veel voor, zegt hij. Een vriend van hem is omgerekend ruim 500 euro aan zo’n malafide hypnotiseur kwijtgeraakt.

Syamsul had gelijk: we rijden aardig door. We vertrokken dan ook een dag voor het Indonesische equivalent van zwarte zaterdag. Het platteland van Java is hier één groot lintdorp. Niet gek, met een bevolkingsdichtheid die het dubbele is van Nederland. Speciaal voor de suikerfeeststoet zijn langs de weg stalletjes opgezet met eten, wc’s en lastminutesouvenirs. Op het tankstation komen koffieverkopers en muzikanten de bus in en zien we hoe een lange rij brommerrijders de armen strekt.

Speciaal voor mensen die vasten stoppen we om 3 uur ’s nachts, zodat ze kunnen eten. Bij zonsopgang zijn we in de buurt van Wadas Lintang. We stoppen bij een groot stuwmeer, waar de meeste passagiers uitstappen en hun dozen worden uitgeladen. Ze moeten nu overstappen op boten, hun enige verbinding met de buitenwereld. Paijo is verbaasd. „Mijn dorp is niet geweldig, maar zij moeten nog met een bootje!”

Na een rit met de brommertaxi komen Paijo en ik om 7 uur ‘s ochtends aan in Kali Gowong. Een prima tijd. In dit heuvelachtige dorp woont Paijo’s familie.

Bij aankomst is er geen gejuich, daar zijn Javanen niet zo van. De meeste familie is op de markt. Paijo’s zesjarige zoontje kruipt tegen hem aan en moet huilen. Zijn moeder Parsi bezweek vorig jaar op haar 23ste aan een mysterieuze ziekte, zoals hier zo vaak gebeurt, en het verdriet is nog vers.

Ze koken op hout, de rivier is bad en wc tegelijk. Mannen klauteren zonder probleem een tien meter hoge kokosboom in. Paijo heeft er een huis van kaal beton, dat van zijn schoonouders is van bamboe.

We gaan naar de markt, waar dorpelingen hun laatste suikerfeest-inkopen doen. Gekleurde koekjes, oranje siroop. Mannen laten zich netjes knippen. Iedereen wacht op familieleden uit Jakarta, die gemakkelijk te herkennen zijn aan de hippe kleding. Nepleren jasjes voor de mannen, leggings voor de vrouwen.

We gaan naar de rommelige begraafplaats om te bidden voor Paijo’s vrouw: ook dat hoort bij de ramadan. Aan de gebedsdienst later op de avond doen alleen mannen mee.

Uit het vele vuurwerk en de koranrecitaties die uit de moskeeluidsprekers klinken, is op te maken dat het Suikerfeest dichtbij is. Op de avond na de laatste vastendag zal het echt losbarsten. Dan gaan de dorpelingen de straten rond om koranverzen te zingen. Niet zo lang geleden deden ze dat te voet, met olielampen in de hand. Nu gaat dat op de brommer of met de auto.

De dag erna zoeken jongeren hun oudere familieleden op om excuses aan te bieden voor alles wat ze het afgelopen jaar verkeerd hebben gedaan; een lange traditie. Er wordt veel gegeten. Kindertjes krijgen kleingeld toegestopt.

De Jakartanen genieten van het samenzijn met hun familie. Want het kan wel weer een jaar duren voor de baas hen weer laat gaan.

Elske Schouten