Rosenthal ontbiedt zaakgelastigde Eritrea - onderzoek naar afpersing

Minister Uri Rosenthal. Foto AP / David Karp

Minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal heeft de zaakgelastigde van Eritrea in Nederland op het matje geroepen. Rosenthal wil meer weten over de vermeende fondsenwerving en het innen van belastingen onder Eritreeërs in Nederland.

De praktijken van de ambassade gaan volgens Rosenthal mogelijk gepaard met afpersing en intimidatie. Dit is volgens de minister onacceptabel. Het ministerie is een onderzoek gestart naar de zaak.

De Volkskrant schreef eergisteren dat Eritreërs in Nederland al bijna twintig jaar lang worden afgeperst via het consulaat in Den Haag. Maandelijks zouden zij twee procent van hun inkomen moeten afstaan aan het regime van president Issayas Afewerki. Wie niet betaalt, zou worden bedreigd, geïntimideerd en geen consulaire diensten meer krijgen.

‘Issayas is een potentaat vergelijkbaar met Mugabe van Zimbabwe’

Het regime van Issayas is berucht. Dat is al langer bekend. Een paar jaar geleden schreef NRC-correspondent in Oost-Afrika, Koert Lindijer, al:

De Eritrese regering, in 1991 aan de macht gekomen na een dertigjarige bevrijdingsstrijd tegen Ethiopië, wil greep hebben op alle aspecten van de samenleving. In september 2001 sloot de regering alle onafhankelijke media. Na de bevrijding in 1991 bestonden er geen fundamentele meningsverschillen in Eritrea en was het land een soort volksdemocratie. Repressie was niet nodig. Maar de bevrijdingsstrijd bleek geen goede leerschool voor democratische politici. Toen vijftien leden van de regeringspartij in 2001 meer democratie en openheid eisten van Issayas, sloeg de president keihard toe. Hij zette de dissidenten gevangen, onder wie ministers en parlementsleden. Ook pakte hij studenten op en stuurde hen naar werkkampen. Issayas schaarde zich in het rijtje van Afrikaanse ex-bevrijders die potentaten werden, zoals de Zimbabweaanse president Robert Mugabe, de vermoorde Congolese president Laurent Kabila en de Oegandese president Yoweri Museveni.