Klim eens in je DNA

Is een commerciële gentest nuttig om te zien welke ziektes je krijgt? Niet zo erg, concludeerde Lucas Brouwers uit de DNA-test van zijn zieke 85-jarige oma.

Lucas Brouwers

Redacteur Biologie

In een beenader van mijn oma is een bloedpropje losgeschoten. Haar bloed voerde het propje mee tot aan haar longen. Daar kwam het vast te zitten in haar longslagader en blokkeerde verdere bloedtoevoer. Een longembolie.

Door het zuurstofslangetje in haar neus lijkt mijn oma nog ouder dan ze is. Ze is moe, wil naar huis, maar snapt dat ze nog een paar nachten in het ziekenhuis moet blijven. Ik zit op een stoel aan het voeteneinde van haar bed. We praten over het mooie uitzicht en eten samen aardbeien, het bezoekuur is bijna om.

In de auto naar huis schiet me een oud plan te binnen. Een plan dat ik tot nu toe niet aan mijn oma durfde voor te leggen. Ik wil het DNA van mijn oma laten onderzoeken. Nu het nog kan.

Mijn eigen DNA heb ik vorig jaar al laten uitpluizen, door het Amerikaanse gentestbedrijf 23andMe. Alles wat ze nodig hadden, was een flinke klodder spuug. Aan de hand van mijn persoonlijke genvarianten rekende het bedrijf mijn risico op 240 ziektes uit.

De lijst met voorspellingen was lang en stond vol narigheid. Zo had ik volgens 23andMe 4,9 procent kans om de ziekte van Alzheimer te krijgen. Mijn kans op prostaatkanker schatte het bedrijf op 13,1 procent. Parkinson? 1,5 procent.

‘Getver’, was mijn eerste gedachte. ‘Maar het valt allemaal wel mee’, was de tweede. Op de meeste ziekten en aandoeningen had ik evenveel kans als de gemiddelde Europese man, een aantal risico’s vielen zelfs lager uit. Iets meer migraine, iets minder melanoom. Mijn DNA was niet de glazen bol waarop ik had gehoopt.

Voor mijn oma ligt dat anders. Zij heeft al bijna een volledig mensenleven geleefd. Een voorspelde embolie is oud nieuws als je al in het ziekenhuis ligt. Door mijn oma’s ziekterisico’s te vergelijken met de kwalen die ze daadwerkelijk kreeg, wordt duidelijk wat een gentest anno 2012 nu eigenlijk waard is.

Een paar weken nadat mijn oma uit het ziekenhuis ontslagen is, zoek ik haar op om haar mijn plan voor te leggen. Zo goed als ik kan vertel ik hoe een DNA-test verloopt en wat je eruit op kan maken. „Je spuugt eerst in een buisje. Dat stuur ik dan voor je op naar een laboratorium in Amerika, waar ze het DNA uit de wangslijmvliescellen in je spuug zullen halen.”

„En dan komen ze dus alle eigenschappen van mijn spuug te weten?” Okee. Nog een stapje terug. „Veel meer dan dat. DNA zit in alle cellen van je lichaam”, probeer ik. „Het bepaalt wat er in die cellen gebeurt, als een soort dirigent. Jouw persoonlijke DNA-volgorde zegt daarom iets over je fysieke eigenschappen. Of je bruine of blauwe ogen hebt, maar ook of je aanleg hebt om kanker te krijgen.” Mijn oma knikt bedachtzaam. „Wat interessant.”

Gelukkig: ze wil meewerken. Ik beloof dat ik de uitslag zodra die er is met haar zal doornemen.

Het is zondag, een paar maanden na de embolie. Oma is nog steeds kortademig. Ze spuugt nu voor de vijfde keer in het buisje dat ik heb meegenomen, maar het speekselpeil blijft nagenoeg gelijk. Ook speekselklieren slijten. „Ik ben pas op de helft”, verzucht mijn oma na een half uur spugen.

Het buisje komt vol en drie weken later krijg ik een e-mail. Your results are ready. Ik log in op de website van 23andMe en scroll door de lijst van aandoeningen en voorspellingen. Darmkanker, 5 procent. Suikerziekte, 15,6 procent. Alsof mijn oma nog een heel leven voor zich heeft. Dat heeft ze niet. Ze is 85.

Met een printje van de testresultaten ga ik bij mijn oma op bezoek. Ik schuif een krukje naast haar luie stoel, zodat we samen de lijst door kunnen nemen. We beginnen bovenaan, bij de ziekte waar mijn oma volgens 23andMe het meeste kans op maakt: maculadegeneratie (AMD), een oogaandoening waarbij de kegeltjes in het netvlies langzaam afsterven.

„Kijk, hier staat dat jouw risico 9,3 procent is, en daarnaast het gemiddelde risico, zeven procent. Maar jouw ogen zijn nog goed toch?” „Ja, maar mijn vader had het wel. Hij is er toen zelfs een paar keer voor naar het ziekenhuis geweest, in Nijmegen. En een paar van mijn zussen hebben het ook. Heel naar.”

Reuma is de volgende ziekte op de lijst. Opnieuw heeft oma pech: met haar genvarianten zou ze bijna twee keer zo veel kans op reuma hebben. Niet 4 procent, zoals de gemiddelde Europese vrouw, maar ruim 8 procent. Deze voorspelling is raak. Mijn oma heeft reuma. Al jaren.

Er is ook een lijstje met goed nieuws: ziekten waar mijn oma minder kans op heeft. Suikerziekte staat bovenaan. In plaats van 20,7 procent kans om ouderdomsdiabetes te krijgen, heeft mijn oma 15,7 procent. „Maar ik heb wél suikerziekte”, werpt ze tegen. En dan: „Het is niet ernstig hoor, ik hoef geen insuline te spuiten. Ik slik alleen metformine.”

Mijn oma is onder de indruk van alle percentages en risico’s die 23andMe uit haar spuug heeft gedestilleerd, maar ik twijfel nog. Grote missers zijn er niet: mijn oma heeft artritis en, inderdaad, 8,4 op de honderd Europese vrouwen met het genotype van mijn oma heeft hier twee keer meer dan gemiddeld kans op. Maar ook het aantal rake voorspellingen lijkt dun gezaaid. Neem haar longembolie: met haar genotype is het risico hierop niet groot. En toch belandde ze hiermee in het ziekenhuis.

Ik spreek af met Cecile Janssens, genetisch epidemioloog bij het Erasmus MC, om de testresultaten mijn oma te bespreken. Op Schiphol, want over een uur vertrekt haar vliegtuig. Janssens heeft mij al eerder geholpen bij het interpreteren van mijn eigen DNA-onderzoek. Ze bladert nu de door de resultaten van mijn oma.

Ik vraag eerst naar mijn oma’s suikerziekte. Is het niet gek dat ze ondanks haar verlaagde risico toch suikerziekte heeft? Nee, vindt Janssens. „De erfelijkheid van suikerziekte is beperkt. Zelfs met iemands complete genoom kun je onmogelijk zeggen of hij suikerziekte krijgt of niet. Leeftijd, geslacht en BMI [Body Mass Index, red.] zijn nog altijd betere voorspellers”, antwoordt ze. „Heeft je oma overgewicht?” Ja, dat heeft ze. Janssens knikt.

Goed, suikerziekte is genetisch gezien misschien niet te voorspellen, maar hoe zit het met AMD, de afsterving van kegeltjes in het netvlies? Dat lijkt toch in de familie te zitten.

„Er zijn een aantal genvarianten bekend die het risico om op jonge leeftijd AMD te krijgen sterk verhogen, maar die heeft je oma niet. En een risico van 9,3 procent betekent dat je oma 90,7 procent kans heeft om géén AMD te krijgen”, relativeert Janssens. En ze zet het voorspelde risico op AMD in epidemiologisch perspectief: „Zodra je de tachtig bent gepasseerd, is de kans dat je AMD krijgt sowieso één op drie.”

Tot nu toe antwoordde Janssens kalmpjes op mijn vragen, een tikkeltje verveeld misschien, maar nu wordt de onderzoeker in haar wakker. Ze wil weten hoe 23andMe het risico op AMD uitrekent. Op een grillig 3G-signaal surfen we naar hun website.

Janssens klikt, zoekt en legt één voor één de zwakke punten van de onderliggende analyse bloot. „Kijk. Het levensrisico [van zeven procent] waar 23andMe van uitgaat, geldt maar van het 43ste tot het 79ste levensjaar. Ik vermoed dat ze dat gemiddelde risico uit een grote populatiestudie hebben gehaald, maar ze zeggen niet welke. Dat gemiddelde vermenigvuldigen ze dan met de risicobijdrages van iemands genvarianten. ”

Maar of je al die risico’s, elk afkomstig uit een ander onderzoek, zomaar op één hoop kan vegen is zeer de vraag, zegt Janssens.

Bovendien kan de risicobijdrage van een genvariant van studie tot studie schommelen, „afhankelijk van de onderzochte patiëntengroep en de vorm van AMD”. Dat schreef een oogarts een paar maanden geleden nog in een overzichtsartikel over de genetische achtergrond van AMD, in Molecular Aspects of Medicine. En weer loopt er wat lucht uit de gentest.

Gek genoeg lijkt het wel alsof je alleen iets aan een gentest hebt als je al ziek bent. Anders dan de genvarianten die het risico op een ziekte verhogen of verlagen, hebben deze varianten een directe invloed op hoe je bepaalde medicijnen afbreekt. Breek je de bloedverdunner warfarine langzaam af? Dan heb je misschien een lagere dosis nodig.

Maar de voorspellingen laat ik voorlopig voor wat ze zijn. Als je ze voor het eerst leest, lijken ze zwaar en definitief. Geheel in lijn met het idee dat je DNA je lot bezegelt. Maar hoe meer ik te weten kom over de oorsprong van alle getallen en percentages, hoe holler ze blijken.

„Oma”, vraag ik daarom als we de lijst bijna doorlopen hebben, „als je dit allemaal had geweten toen je 20 was, zou je je leven dan anders hebben geleefd?” Mijn oma is even stil. „Jee, wat een moeilijke vraag.”

Ze legt een wijsvinger op haar oude, gerimpelde mond. Ze denkt lang na. „Nee. Nee, dat denk ik niet.”

Europese vrouwen met het genotype van mijn oma hebben een gemiddeld risico op een herseninfarct. Niet erg groot dus. Maar zaterdagochtend ligt oma weer in het ziekenhuis. Om vier uur vannacht ging het mis: een herseninfarct. Niet voorspeld, toch gekregen.