In de broedmachine overleven, op lepeltjes melk met suiker

Na 24 weken geboren? Als de statistiek ongunstig uitvalt, is een baby kansloos. Bizar, vindt Ab Spruijt. Naar huidig inzicht was hij niet in leven gehouden na zijn geboorte.

Ab Spruijt is een kleine man met een gehoorapparaat en een stok, maar met een glasheldere geest. Onlangs las hij in deze krant over de dilemma’s van artsen die premature baby’s behandelen. Kritische grens is nu de 24ste week (bijna zes maanden zwangerschap): het kind wordt behandeld mits zijn kansen goed lijken en de ouders instemmen. Normaal wordt een kind tussen de 37ste en 40ste week geboren.

Spruijt was geraakt door het lot van die gezinnen en belde de krant. „Er is hoop! Ik ben in 1925 drie maanden te vroeg geboren. Ik heb een geweldig leven gehad en ben nu 87 jaar.”

Spruijt woont met zijn vrouw in Gouda, in de straat waar hij is geboren. Zijn ouders trouwden er in 1922 en kregen in de twee volgende jaren twee te vroeg geboren meisjes. Zij stierven. In 1925 was zijn moeder opnieuw in verwachting, van Ab. Met 24 weken – „of misschien 25 ” – begon weer een te vroege bevalling. „Mijn vader en de toegesnelde huisdokter zeiden al over mij: dat wordt weer niks, doe het maar weg. Maar een tante die was opgeleid tot vroedvrouw, zei: ho, deze wil ik in leven proberen te houden.”

De tante haalde de broedmachine voor kippeneieren uit de schuur. Een houten kistje met een raampje erin. Onderin lagen twee kruiken, erboven legde ze Ab op een deken. Ze trok in bij het gezin en zette de broedmachine naast haar bed.

In die jaren was de kindervoeding nog niet zo geavanceerd. Aanvankelijk gaf ze Ab elke tien minuten een lepeltje melk met veel suiker. Dat heeft ze een paar weken volgehouden.

Zijn moeder was, na haar derde ‘miskraam’, uit het veld geslagen. Pas na een paar maanden kon ze de zorg voor hem overnemen, dankzij de steun van een vrouw die zij had leren kennen bij haar bezoek aan de kinderarts en die een week later een dochter kreeg. Met dat meisje is Ab nu nog steeds bevriend.

Het verhaal van Ab Spruijt is moeilijk te checken omdat het zich in 1925 afspeelde. Een geboortedossier heeft hij niet. Bovendien zijn de arts die hem op zeker moment in het ziekenhuis opnam – omdat zijn armpjes verkeerd stonden – en de tante die hem verzorgde al lang overleden. Maar als Spruijts geboorte is verlopen zoals hij vertelt, dan mag hij gerust een medisch wonder worden genoemd. Zelfs in een couveuse, begeleid door een team artsen, overlijdt in Nederland nog altijd 15 procent van de baby’s die vóór de 32ste week van de zwangerschap worden geboren. Artsen die hem op veel hogere leeftijd behandelden voor zijn versleten botten, zeiden dat ook, zegt Spruijt: „Dat ik een medisch wonder ben.”

Het gaat hem er niet om aandacht te krijgen, zegt Spruijt. Hij vindt het alleen bizar dat nu op grond van statistiek en grote kennis besloten wordt welke baby in leven wordt gehouden en welke niet. In zijn tijd maakte hij volgens deze statistiek geen kans. Couveuses bestonden nog niet. „En toch heb ik het overleefd.”

Een bijzonder kind werd hij niet gevonden, zegt Ab. „Zo waren mijn ouders niet. Nee hoor, heel nuchter. Als ik later te hard schreeuwde, werd ik met wieg en al in de schuur gezet. Het geboorteverhaal was me wel verteld, maar er werd verder niet over gepraat. Mijn vader was een prominente man in Gouda – directeur van de drukkerij – maar wij werden niet verwend of speciaal bevonden. Ik moest gewoon werken voor zakgeld als ik zelf iets wilde kopen.”

Kinderen heeft Ab nooit gekregen, waarschijnlijk één van de gevolgen van zijn vroeggeboorte. Van zijn longen, nieren en darmen – die bij prematuur geboren kinderen onderontwikkeld zijn – heeft hij nooit last gehad. Wel van zijn botten, die broos zijn. Hij heeft al enkele operaties gehad. „Een arts die me behandelde, zei dat mijn organen waarschijnlijk extra sterk zijn doordat ik er als prematuur kind voor moest vechten. Mijn bottenontwikkeling bleef achter.”

Spruijt was zijn leven lang een fanatieke fietser, wedstrijdzeiler, roeier en skiër, en een verwoede luchtpostverzamelaar. Hij werkte bijna twintig jaar als graficus. In de jaren zestig stopte hij daarmee, omdat het „pet” was in de drukkerijbusiness. Hij werd veilingcommissionair en reisde de hele wereld over. India, Rusland, Noord- en Zuid-Amerika „U kunt beter vragen in welk land ik níét ben geweest.”

Na Ab kregen zijn ouders opnieuw een baby die te vroeg werd geboren. Ook die stierf. Maar vijf jaar na hem volgde een jongen die negen maanden lang ‘bleef zitten’: Abs enige broer. Hij is nu gepensioneerd veehouder. Ze zien elkaar nog elke week.