Het ChristenUnie-partijprogramma

In de aanloop naar de verkiezingen bekijkt next.checkt de verkiezingsprogramma’s. Vandaag dat van de ChristenUnie. Uit het programma ‘Voor de verandering’ kozen we vier stellingen over uiteenlopende onderwerpen.

waar

„Kinderen die opgroeien in een gebroken gezinssituatie of een eenoudergezin lopen een groter risico op psychosociale of maatschappelijke problemen.”

Een kind uit een eenoudergezin loopt inderdaad iets meer kans op problemen dan een kind uit een tweeoudergezin. Het gaat vooral om emotionele problemen, probleemgedrag en slechte schoolprestaties. Ook geven moeders van eenoudergezinnen vaker aan last te hebben van opvoedingsstress dan moeders uit tweeoudergezinnen. Dat blijkt uit de belangrijkste studies over dit onderwerp, die zijn verzameld door het Nederlands Jeugdinstituut.

Toch is eenouderschap waarschijnlijk niet de oorzaak van de problemen waarmee het kind te maken kan krijgen. Eenoudergezinnen hebben vaak lage inkomens en de genoemde problemen zijn vooral gevonden bij onderzoeken naar scheidingen. De problemen van kinderen in eenoudergezinnen zijn vaak groter als de economische omstandigheden van het gezin slechter zijn.

In de stelling wordt ook de (onwetenschappelijke) term ‘gebroken gezin’ gebruikt. De term wordt, vaak in christelijke context, gebruikt voor zowel eenouder-, als pleeg- en en stiefgezinnen. Dat een kind uit een pleeggezin vaker problemen heeft, is logisch. Dat kind komt vaak in zo’n pleeggezin vanwege de problemen thuis. Ook blijkt dat kinderen uit stiefgezinnen vaker emotionele- of gedragsproblemen hebben en vaker crimineel gedrag vertonen dan gemiddeld. Maar hier kan een breed scala van oorzaken aan ten grondslag liggen: het overlijden van een ouder, een scheiding, een slechte relatie met de vader of moeder, het aanpassen aan een nieuwe gezinssituatie.

Conclusie: Kinderen die opgroeien in een eenouder-, stief- of pleeggezin hebben inderdaad wat vaker emotionele- en gedragsproblemen. We beoordelen de stelling daarom als waar. Belangrijke kanttekening is dat het eenouder-, stief- of pleegouderschap waarschijnlijk niet de oorzaak is van de problemen van het kind.

waar

„Het OM werkt aantoonbaar niet efficiënt genoeg met de politie en lokaal gezag samen.”

De ChristenUnie baseert de stelling op een recent rapport van de Rekenkamer over de prestaties in de zogenoemde ‘strafrechtketen’. Ofwel: hoe goed werken politie, OM en het gevangeniswezen samen? En wat is daarbij de rol van de overheid?

Dat rapport werd in deze krant ‘vernietigend’ genoemd. De belangrijkste conclusies: veroordeelde criminelen blijken hun straf niet altijd uit te zitten. Het beleid van het ministerie van Veiligheid en Justitie, het OM en de politie blijkt nauwelijks gericht op het voorkomen van ‘ongewenste uitstroom’, jargon voor mensen die hun straf ontlopen. Het OM en de politie maken geen heldere afspraken over te vervolgen zaken, waardoor zaken op de plank blijven liggen.

Tot zover lijkt het inderdaad ‘aantoonbaar’ dat de samenwerking in de strafrechtketen beter kan. Toch is er een belangrijke kanttekening bij de stelling van de ChristenUnie te maken. Er staat namelijk specifiek dat het OM niet efficiënt samenwerkt met de andere instituten. Maar dat blijkt niet uit het rapport waarop de CU haar stelling baseert. De Rekenkamer noemt het OM slechts als één van de stroeve raderen in een krakkemikkige machine. De politie en vooral het ministerie van Veiligheid en Justitie valt evengoed veel te verwijten. Dat sommige criminelen hun straf ontlopen, komt bijvoorbeeld door beleid bij zowel politie als het OM. Maar het echte probleem ligt bij het ministerie dat volgens de Rekenkamer eerder had moeten ingrijpen.

Conclusie: Het OM heeft inderdaad in de samenwerking met politie en lokaal gezag steken laten vallen. We beoordelen de stelling daarom als waar. De problemen liggen echter niet alleen bij het OM, zoals de ChristenUnie lijkt te suggereren, maar bij alle instituten in de keten.

niet te checken

„Vrijheid begint met ruimte om te leven naar je overtuiging. Wij willen daarom opkomen voor godsdienstvrijheid; daaronder begrepen de vrijheid van geloof te veranderen. De positie van christenen krijgt hierbij bijzondere aandacht omdat vooral zij slachtoffer zijn van vervolging. Met name in islamitische landen, maar ook in Noord-Korea.”

Volgens de ChristenUnie is deze stelling gebaseerd op het rapport over religieuze vrijheid van Aid to the Church in Need uit 2010. Dat is een pauselijke stichting. In het rapport wordt bisschop Mario Toso genoemd, die tijdens een internationale conferentie (van de OVSE) in Kazachstan in 2010 zou hebben gezegd: „Meer dan 200 miljoen christenen wereldwijd lijden onder een of andere vorm van haat, geweld, bedreiging, confiscatie van bezit en andere misstanden op grond van hun religie. Dat maakt hen tot de religieus meest gediscrimineerde groep.” In het rapport is geen verdere onderbouwing van dit aantal, noch een vergelijking met discriminatie van andere religies.

In de update van het rapport die in 2012 verscheen, is te lezen dat 80 procent van daden van religieuze intolerantie tegen christenen is gericht, een schatting van het International Society for Human Rights (ISHR), een non-gouvernementele mensenrechtenorganisatie. Dat percentage is afkomstig van ISHR-bestuurslid Thomas Schirrmacher, hoogleraar theologie in Duitsland en India. Schirrmacher schrijft desgevraagd dat er nooit onderzoek is gedaan naar het percentage, al wordt het van organisatie tot organisatie overgenomen, tot aan het Vaticaan toe.

Hij heeft wel een onderbouwing voor de 200 miljoen ‘bedreigde’ christenen van bisschop Toso. Het internationale PEW forum brengt de religieuze vrijheid in 198 landen in kaart. Ze maakt een index op basis van beperkende overheidsmaatregelen en één van religieuze inperking door sociale groepen. In landen die hoog op de beide indices scoren, zijn de minderheden doorgaans slachtoffer van die vrijheidsbeperking, denkt Schirrmacher. Er zijn 38 miljoen moslims die een religieuze minderheid vormen in landen met een index hoger dan 5, en 258 miljoen christenen waarvoor dat geldt. Schirrmacher concludeert daaruit dat christenen het meest worden gediscrimineerd wereldwijd.

Maar het PEW-rapport zegt niets over de omvang van discriminatie. Mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch zeggen niet over cijfers te beschikken die religieuze intolerantie wereldwijd kwantificeren.

Conclusie: Deze stelling beoordelen wij als niet te checken, bij gebrek aan voldoende objectieve en feitelijke onderbouwing.

niet te checken

„Het gevaar van jongeren die zich elders bij de ‘jihad’ willen voegen is toegenomen, soms met deelname aan terroristische trainingskampen.”

De Christen Unie baseert de stelling op het jaarverslag van de Algemene Inlichten- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (AIVD) uit 2011. In 2011 was er geen concrete dreiging tegen Nederland, maar volgens het rapport zijn de afgelopen jaren wel enkele tientallen personen vanuit Nederland naar een strijdgebied afgereisd ‘met de intentie om deel te nemen aan jihadistische activiteiten’. En: ‘Het aantal jihadistische reisbewegingen was in 2011 groter dan in voorgaande jaren’. ‘Jihadistische reisbewegingen’ zijn geslaagde en niet-geslaagde pogingen van Nederlandse jongeren. Maar het zijn ook de omgekeerde bewegingen: van personen die uit die strijdgebieden afreizen naar het Westen om hier een aanslag te beramen, zo schrijft AIVD-woordvoerder Susan Scholten in een toelichting. Hoe dat aantal is gemeten, mag AIVD-woordvoerder Susan Scholten niet precies zeggen. Maar ‘het blijft bij een goede schatting’, mailt Scholten. Welk deel van de ‘jihadistische reisbewegingen’ betrekking heeft op jongeren die vanuit Nederland naar het buitenland reizen, wil de AIVD evenmin onthullen. Scholten:

Conclusie: Er zijn geen andere objectieve bronnen die bijhouden hoeveel jongeren uitreizen om deel te nemen aan de jihad. De definitie van jihadistische reisbeweging is bovendien ruimer dan ‘Nederlandse jongeren die zich aanmelden voor de jihad’. Daarom beoordelen wij deze stelling als niet te checken.