Brieven

Managen heeft zin, maar alleen wanneer het kan

Jos Verveen heeft ten minste één ding gemeen met de door hem zo vermaledijde managementgoeroes: hij weet zich goed in de markt te plaatsen (Opinie&Debat, 11 augustus). Hij maakt furore met de boodschap: het maakt niet uit welke methode je kiest, volg je gevoel, op basis van evidence kom je er ook niet uit.

Ik ben het eens met Verveens analyse van Taylors scientific management en deel zijn kritiek op het MBA-onderwijs, maar dit wil niet zeggen dat de aanbevelingen van Taylor onzin zijn geweest en dat de lesstof van het MBA geen waarde heeft. Verveen mist een essentieel punt: (bijna) alle methoden zijn waardevol en effectief, maar in een beperkt domein.

Managen – of beter: leidinggeven – is een vak. Het vergt onder meer inzicht wanneer welke methode moet worden ingezet. De belangrijkste variabele is de complexiteit van de context waarbinnen de methode moet worden toegepast. In het boek Cubrix, zicht op organisatieontwikkeling en performanceverbetering wordt een raamwerk geïntroduceerd – de Cubrix – dat contexten naar complexiteit ordent tot zeven ontwikkelniveaus. Je kunt alle methoden rangschikken naar effectiviteit op deze ontwikkelniveaus. Dit raamwerk biedt een taal waarmee je organisatieontwikkeling beter kunt duiden en dus je keuze voor een methode kunt verantwoorden.

Marcel van Marrewijk

Directeur van Research to Improve, lid van hrkracht.nu, partner van Eforis en auteur van Cubrix, zicht op organisatieontwikkeling en performanceverbetering (www.cubrix.nl)

Managementtheorie van Covey wel degelijk van nut

Jos Verveen schrijft dat hij niet begrijpt waarom Stephen Covey, iemand die slechts anderen adviseerde, zo veel aandacht kreeg. Hij zet Covey weg als de gemiddelde managementboekenschrijver, wat hij zelf ook is. Ik vraag mij af of Verveen het boek The 7 Habits of Highly Effective People eigenlijk wel heeft gelezen.

Dit boek is geen gemiddeld bedrijfsmanagementboek, maar meer een zelfmanagementboek. Covey legt perfect uit wat je moet doen en laten om iets te bereiken in het leven. Het zijn zeven eigenschappen die je je zelf kunt aanleren om het succes naar je hand te zetten. In mijn ogen zou het moeten worden behandeld op elke middelbare school.

Hans Kol

Roelofarendsveen

Met vriend als Wisse heeft religie geen vijanden nodig

Systematisch theoloog Maarten Wisse roept politici op om hun voordeel te doen met religie, vooral met kerken (Opinie, 9 augustus). Staatsgefaciliteerde religie, stelt hij, „is gematigde religie”, die kan bijdragen tot de moraal en de sociale cohesie.

Zijn koketteren met beginselloosheid is niet onschuldig. Het gaat gepaard met een zorgelijk gebrek aan kennis van de geschiedenis van het christendom – het vak dat ik tot voor kort doceerde. Kan een van Wittes Duitse collega’s hem uitleggen welke verwoestende gevolgen „staatsgefaciliteerde religie” kan hebben voor religieuze, etnische en seksuele minderheden? Kan een collega van de VU hem uitleggen hoe juist deze universiteit voortkomt uit verzet tegen de negentiende-eeuwse overheidsbemoeienis met godsdienst en kerk?

Met vrienden als deze ‘systematicus’ – dat is Theologees voor ‘dogmaticus’ – hebben gelovigen in Nederland geen vijanden meer nodig.

Dr. David Bos

Godsdiensthistoricus/socioloog, Amsterdam

Wisses pleidooi voor religie lijdt aan blikvernauwing

Pleidooien voor religie lijden nogal eens aan blikvernauwing – zo ook bij Maarten Wisse, die zegt het voortdurend wegzetten van religie beu te zijn. Religies, redeneert hij, bevorderen moreel gedrag. Gebedshuizen en tempels geven bezieling en cohesie aan de wijk waarin zij staan.

De Verenigde Staten staan bekend om hun hoge kerkdichtheid, maar van een superieure moraal in Amerika heb ik, als ik de krant goed lees – greed is good, wapenbezit een grondrecht, meeste gevangenen per hoofd van de bevolking – nooit gehoord.

Evenmin is de bezieling van een wijk te koppelen aan de aanwezigheid van tempels. Zo ken ik tal van nieuwbouwwijken waarin kerken architectonisch en sociaal minder uitstraling hebben dan de openbare bibliotheek of het wijkcentrum. Bezoekers van kerken en gebedshuizen hebben de neiging zich te isoleren van andersdenkenden. In het verleden werd een dorpskern of wijk weliswaar bezield door een kerk – zij claimde die bezieling met haar invloed in de levenssfeer als vanzelf – maar willen we terug naar de verzuiling? Religie geldt ook als oorzaak van verwijdering tussen volksgroepen, misschien wel meer dan als oplossing ervoor. Bestaande aversies heeft zij aan zichzelf te wijten.

Guido Everts

Historisch pedagoog, Amstelveen