Brieven

Architectuur in crisistijd

De crisis verandert de bouwwereld fundamenteel, zo betogen Hans Ibelings en Nanne de Ru in een artikel van Tracy Metz (CS, 19 juli). Het is niet de eerste keer dat de architectuur op een keerpunt staat. Ik herinner mij een artikel in de Groene Amsterdammer uit 1962 van J.J.P. Oud, ‘Het carnaval der architecten’ , waarin hij de stuurloosheid en het gebrek aan inhoud in de architectuur op de korrel neemt, met name in de naoorlogse kerkbouw. De architect was in die naoorlogse periode met handen en voeten aan regels gebonden. Er werd enorm veel gebouwd, omdat er een enorme woningbehoefte was. De budgetten waren klein. Ruimte voor creativiteit was er amper, alles was grondig ingekaderd. Een van de weinige uitzonderingen vormde het ontwerpen van kerken. En daar spatte de opgekropte creativiteit, zoals Oud het formuleerde, uiteen in even bizarre als stuurloze ontwerpen. Hij noemde dit ‘het carnaval der architecten’ en had er geen goed woord voor over.

Het carnaval van Oud noemen we nu spektakelarchitectuur. Je kunt het ook ‘advertising architecture’ noemen. Het beheerste decennia lang de vakpers. Architecten werden ‘starchitects’ en als je als bedrijf wilde opvallen, bestelde je bij zo’n starchitect een kek gebouw. Hoe gekker, groter of hoger, hoe beter. Tot de crisis roet in het eten gooide.

Terecht stellen Ibelings en De Ru dat de architectuur een keerpunt bereikt heeft. Het zou weleens de redding van de architectuur kunnen worden, want zolang architecten hun wortels niet in de maatschappij vinden, blijven ze colporteurs, in het beste geval designers, van smaakmakende maar inhoudsloze objecten. Het idealisme dat in de jaren twintig van de vorige eeuw opnieuw richting gaf aan de architectuur, het Nieuwe Bouwen, mag volgens velen achterhaald zijn – met de kennis van nu zou je ook kunnen stellen dat het kind met het badwater is weggegooid. Wat is er gebeurd met de open samenleving en de transparante gebouwen waar Oud, Rietveld en Mies van der Rohe in geloofden?

Architectuur en stedenbouw zijn er voor gebruikers en bewoners, en niet andersom. Behoefte aan geborgenheid, veiligheid en identiteit was ooit de bakermat van de architectuur. De erkenning daarvan mag van mij, anno 2012, haar redding worden.

Jan Hoogstad, architect

Rotterdam