Zijn kamp beknelde mijn jeugd

Vandaag wordt het einde van de Tweede Wereldoorlog in Indië herdacht. Ruim 140.000 mannen en vrouwen zaten in een Jappenkamp. In hoeverre heeft hun leven invloed gehad op dat van hun kinderen? Monnique Haak interviewde drie kinderen van zogeheten Jappenkampers.

‘Het keerpunt in mijn leven was het moment dat mijn vader overleed. Hij pleegde zelfmoord. Mijn zoon was 2,5 jaar en mijn dochter was net 5 maanden oud. De borstvoeding stopte meteen. Het jaar daarna ben ik gewoon doorgegaan met leven. Tot die tijd dacht ik ergens nog wel dat ik een normale jeugd had gehad. Maar een jaar nadat mijn vader overleed, stortte ik in. Ik was toen 35 jaar.

Ik zocht hulp en voor het eerst kwam het hele verhaal van mijn vaders jeugd in het Japanse kamp naar boven. Mijn vader was jarenlang depressief geweest. We moesten altijd rekening houden met hem. We verhuisden vroeger bijvoorbeeld nooit, dat kon mijn vader niet aan. We gingen ook nooit op vakantie. Dat was voor mijn vader veel te druk. Ik kon me geestelijk niet uiten thuis, er werd nergens over gepraat. Mijn hele jeugd voelde ik mij eigenlijk bekneld.

Ik kwam erachter dat ik het mijn vader kon vergeven, hij kon niet anders. Ik worstel nu wel met mijn moeder. Ze vertelt bijvoorbeeld nooit aan iemand dat mijn vader zelfmoord heeft gepleegd. Hij heeft een hartaanval gehad, dat is het verhaal. De vuile was hang je niet buiten. Het deed mij denken aan die keer toen ik als verpleegkundige een mevrouw ontmoette die ook in een Jappenkamp had gezeten. Zij had moeite met onder narcose gaan, ze was bang dat ze wakker zou worden en weer in het kamp zou zijn. Dat punt herkende ik van mijn vader.

Nu ben ik op een punt in mijn leven gekomen dat ik de confrontatie aanga. Ik wilde niet langer de waarheid verzwijgen tegenover mijn kinderen en dat de oorlog op die manier toch weer invloed zou hebben op mijn leven en op mijn gezinsleven. Toen heb ik het mijn kinderen verteld.

Zelf ben ik nergens meer bang voor, ik durf nu mijn eigen keuzes te maken. Ik vind dat ik enorm sterk ben, juist dankzij mijn jeugd en de periode daarna. En gelukkig heb ik een positieve instelling. Na mijn studie stervensbegeleiding heb ik gekozen om te werken als verpleegkundige in een hospice. Iemand mag sterven in overeenstemming met zijn eigen wensen. Mijn leven blijft een puzzel.”

‘Al jong vroeg ik uit nieuwsgierigheid dingen over de oorlog aan mijn opa, de vader van mijn vader.

Ik had een goede relatie met hem. Mijn opa had met zijn broer aan de Birmaspoorweg gewerkt. Hij sprak daar eigenlijk vrij nuchter over, met weinig emotie. Hij was een man die positief in het leven stond.

Als hij over die tijd vertelde, had hij het niet alleen over de Japanners. Meer over de ervaringen van hemzelf en zijn broer. Hoe het feitelijk was.

En hij vertelde over de Australiërs en de Britten, die er destijds ook zaten. Wat ik van hem leerde, was dat je altijd eerlijk moet zijn. En dat ervaringen belangrijk zijn. Ervaringen nemen ze je nooit meer af.

Mijn eigen ouders vertelden niet veel over de oorlogsjaren. Pas de laatste tien jaar hoor ik de verhalen. Mijn moeder heeft niet in een kamp gezeten. Mijn vader zat als kind geïnterneerd in een vrouwenkamp dichtbij Blitar, Oost-Java. Hij heeft daar zijn enige broertje verloren. Dat verdriet zag hij bij mijn oma.

Later is mijn vader samen met mijn moeder en mij teruggeweest naar Indonesië. We hebben tijdens onze reis de plek bezocht waar mijn vader in het kamp zat. Zijn broertje ligt daar begraven in een massagraf.

De plek is een stukje natuur geworden. Je kunt daar niets meer zien wat op een kamp lijkt.

Die jeugd van mijn vader heeft zeker invloed gehad op mijn leven. Mijn vader heeft mijn broer en mij heel streng opgevoed. Hij wilde graag zekerheid. Hij vond het belangrijk dat ik een goede opleiding zou volgen. Maar het waren mijn vaders normen. Ik ben opgevoed met het idee van ‘die Hollanders en wij’. Dan word je eigenlijk een beetje naast de samenleving geplaatst. Je gaat de Nederlanders als de anderen beschouwen. Door dat ‘wij en zij’-gevoel heb ik me in mijn jeugd altijd een buitenbeentje gevoeld. Achteraf gezien was ik erg geïndoctrineerd door mijn vader.

Tegen dat normatieve ging ik mij afzetten, ook op school. Wanneer anderen mij op dezelfde manier met autoriteit benaderden, werd ik meteen defensief en ging ik er tegenin. Ik had last van autoriteitsproblemen, was agressief en licht ontvlambaar. Ik wil het verhaal over Indië graag aan mijn kinderen vertellen. Spelenderwijs vertel ik hun de verhalen over die tijd. Ze weten hoe het leven van hun grootouders in Indië was. Ik vind het belangrijk dat ze weten wat hun afkomst is. Wij zijn een uitstervende soort.”

‘In mijn privésituatie en op mijn werk heb ik vroeger vaak problemen gehad. Ik had last van concentratieproblemen, hechtingsproblemen, autoriteitsproblemen en in het sociale verkeer manoeuvreerde ik me soms in onbedoeld vervelende situaties. Pas heel laat ben ik er achtergekomen dat dit alles te maken kan hebben met het kampverleden van mijn vader.

Mijn vader heeft in Nederlands-Indië gewoond. Tijdens de oorlogsjaren heeft hij in de plaatsen Batavia, Malang en Semarang in het kamp gezeten. Het besef dat hij daar vandaan kwam, had ik als kind al. Op de lagere school hoorde ik verhalen over de Tweede Wereldoorlog en over de concentratiekampen. Maar pas veel later, rond mijn 30ste jaar, besefte ik echt wat dat voor mijzelf betekende. En wat die kampjaren voor hem betekenden, besefte ik nog weer veel later.

Bij ons thuis werd er nooit echt over de oorlogsjaren en de jaren in Nederlands-Indië gesproken. Wel zag ik dat mijn vader er veel over las. Op de middelbare school, ik was toen circa 14 jaar oud, kreeg ik interesse in de cultuur en geschiedenis van andere landen en volken. Ik ging zelf over Nederlands-Indië lezen.

Ik las geen oorlogsverhalen, maar meer de historische romans die een tijdbeeld gaven, zoals de boeken van Hella Haasse en Louis Couperus. Pas toen ik 16 jaar oud was, las ik een boek over het kamp. Dat was een naar verhaal, maar toch vond ik het ook een spannend en aangrijpend verhaal. De onbestemde angst, het doorzetten en het fragiele van de menselijke conditie: alles prentte ik mij in. Echter zonder het toen op mijzelf te betrekken.

Voor mij blijft het leven een zoektocht. Zo blijf ik zelf nog steeds zoeken naar de regie over mijn eigen leven. Ook blijf ik altijd zoeken naar zingeving.

Mijn kinderen weten dat mijn vader in Nederlands-Indië in het kamp heeft gezeten. Mijn oudste zoon is 13 jaar oud en moest afgelopen jaar voor school een interview houden met één van zijn grootouders over de oorlog. Hij koos daarvoor verrassend genoeg mijn schoonmoeder, die de Tweede Wereldoorlog in Deventer heeft meegemaakt. Toen ik hem vroeg of hij eventueel niet mijn vader wilde interviewen, was hij daar erg duidelijk in. Dat was een te pijnlijk verhaal, antwoordde hij.

Ondervoeding, uitputting en mishandeling

Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands- Indië (1942-1945) hield Japan zo’n 100.000 Nederlandse burgers geïnterneerd. Van hen waren er ongeveer 70.000 zonder gemengde afkomst (‘zuivere blanken’) en ongeveer 30.000 van gemengde afkomst (Indo-Europeanen, indo’s). In de burgerkampen kwam 1 op de 8 geïnterneerden om door ziekte, ondervoeding en uitputting.

Ook zaten er ruim 40.000 Nederlandse militairen in krijgsgevangenkampen, grotendeels van het KNIL. Bijna één op de vijf krijgsgevangenen kwam om, van wie ruim de helft tijdens tewerkstelling aan de Birmaspoorlijn. De gevangenen stierven door mishandelingen en het verrichten van zeer zware lichamelijke arbeid. In de kampen werden lijfstraffen uitgedeeld. Vooral bekend is het urenlang op appèl staan in de brandende zon.

De herdenking wordt rechtstreeks uitgezonden op Nederland 1 vanaf 12.10 uur. Kijk voor meer informatie over de herdenking op www.indieherdenking.nl

Monnique Haak is freelance journalist en gespecialiseerd in de geschiedenis van Indië. Voor Stichting Pelita interviewt ze oorlogsgetroffenen en hun kinderen.