Vanwaar dat enthousiasme voor middelmatigheid?

Politici zijn als de dood om elitair over te komen. Maar kiezers hebben liever een oprechte kakker dan een veinzende man van de straat, stelt Michiel Hennink.

Binnenkort beginnen de verkiezingscampagnes weer. Dat betekent dat ambitieuze politici elke kans zullen aangrijpen om te veinzen dat ze dichtbij de kiezer staan. Heus, roepen ze vanaf de figuurlijke zeepkist, ik ben ‘hartstikke gewoon’. Of nog erger: ze zijn daadwerkelijk heel gewoon en benadrukken dat trots. Vanwaar dat enthousiasme voor middelmatigheid?

In de politiek gaat men al bibberen als het woord ‘elite’ ter sprake komt. Want wie elitair wordt bevonden, kan het wel vergeten. Het overkwam Samsom bijna, maar die wist zichzelf nog te redden. Als straatcoach kon hij iets van zijn academische imago van zich afschudden. Net op tijd, want als politicus kun je maar beter een paar flinke stappen van de intelligentsia wegblijven.

Intellectualiteit en voornaamheid lijken niet meer te passen bij ons beeld van succesvolle mensen. Het grof besnaarde type dat het ‘ondanks zijn achtergrond’ zo ver heeft geschopt, is nu het ideaal. Een chique familie is taboe en academische prestaties worden subtiel weggemoffeld. De huidige samenleving eist duidelijke en assertieve leiders. Wie zich graag terugtrekt met een boek, kan dat beter niet meer op zijn cv zetten.

Een intellectueel zwaargewicht staat daardoor bij voorbaat al te ver van de kiezer af. Regeren, dat mag niet meer vanuit een ivoren toren – zelfs niet als van daaruit verstandige besluiten worden genomen. De ‘kloof met de gewone burger’ moet hoe dan ook overbrugd worden, ook als dat leidt tot het verlies van elke distinctie en voornaamheid.

Maar is dat, diep van binnen, wel echt wat de Nederlander wil?

Het televisieprogramma Andere Tijden besteedde onlangs een aflevering aan Jan Schaefer. Deze banketbakker werd in de jaren 70 vliegensvlug Tweede Kamerlid, staatssecretaris en wethouder van Amsterdam. Sommigen verklaarden zijn succes uit het spijkerpak dat hij altijd droeg. Daarmee bleef hij zo ‘lekker gewoon’. Later bleek uit een kiezersonderzoek dat het vooral de hoogopgeleide elite was die dat prachtig vond. De gemiddelde stemmer tikte zich tegen het voorhoofd: „Waarom trekt die man toch geen fatsoenlijk pak aan?”

De burger is niet gek en prikt zo door trucjes heen. Dat bleek in 2010. Wie Cohen in Koffietijd de polonaise zag dansen, wist meteen dat hij dat nooit eerder op de camping deed. Cohen was niet ongeschikt omdat hij elitair was, maar omdat hij dat niet mocht zijn van zijn partij. En wie won er van hem? Inderdaad, Mark Rutte: intellectueel, klassiek pianist en Leids academicus.

Vroeger begon alles met een flinke boekenkast. Dat is nu anders, getuige het debat over Europa. Welke politicus weet nog dat die ‘luie Grieken’ ooit de culturele basis voor onze samenleving legden? De eerste moderne Europese grondwet werd bovendien geschreven door ‘criminele Oost-Europeanen’ uit Polen-Litouwen – wie realiseert zich überhaupt nog dat die staat heeft bestaan?

Het is zonde dat de waardering voor een gezonde portie culturele en intellectuele bagage verdwijnt. Want hoe is goed onderwijs te verwachten zonder intellectueel klimaat? Wie brengt orde en gezag zonder ouderwetse beschaafdheid? En hoe komen we aan toekomstbestendig beleid zonder een enkele kalme visionair? In het huidige debat wordt niet met intelligente nuances, maar met verbale bakstenen gegooid. Die vliegen uiteindelijk door onze eigen ruiten.

Knappe academische prestaties zouden weer trots moeten worden uitgedragen, een indrukwekkende familiegeschiedenis is geen reden tot schaamte en een voorname uitstraling zou een minimumvereiste voor politici moeten zijn. Alleen dit kan helpen het vertrouwen in de politiek te herstellen. Pim Fortuyn was professor, kleedde zich duur en sprak bekakt. Misschien vertrouwde de kiezer hem daarom wel. Een land dat bestuurd wordt door de middelmaat, zal immers nooit uitblinken.