Schaf die feodale heffing in Kamerik af

Een kasteelheer uit Renswoude heft een feodale belasting bij de inwoners van Kamerik. Dit is niet meer van deze tijd, betoogt August Hans den Boef.

Enige tientallen inwoners van Kamerik hebben een aanslag gekregen, de zogenoemde dertiende penning. Een feodale belastingheffing bij de aankoop van stukken grond en opstallen, die behalve in Kamerik nog bestaat in delen van Abcoude, Baambrugge, Loenen aan de Vecht en Vinkeveen. Ontvanger van de Kamerikse penningen is de Stichting Beheer Kasteel Renswoude: „We hebben geld nodig voor onderhoud van het kasteel”, zegt de penningmeester.

De meeste feodale rechten zijn in de loop van de eeuwen verdwenen, zoals het ius primae noctis, het recht van de Heer op de eerste nacht van iedere bruid onder zijn jurisdictie. Onze samenleving is sinds de Middeleeuwen ingrijpend veranderd. Ook hanteren we tegenwoordig andere, meer egalitaire normen en waarden. In onze dagen accepteert immers niemand meer dat hij belasting afdraagt waarvoor hij niets terugkrijgt, zoals in Kamerik. Daarom werd de dertiende penning in 1984 door de overheid afgeschaft, zij het met als einddatum 2015.

Hoe feodaal is het Nederland van 2012 nog? De dertiende penning heeft de kracht van wet, net als de particuliere erfpacht en de eeuwigdurende variant daarvan, het Groninger recht van beklemming. Veel ongeschreven rechten prevaleerden nog tot diep in de vorige eeuw. Zo domineerde de adel politiek en bestuur. Ze was ook lang oververtegenwoordigd in bepaalde beroepen – de diplomatieke dienst bijvoorbeeld. Ex-ambassadeur Coen Stork vertelde daar onlangs boeiende dingen over. Die oververtegenwoordiging had natuurlijks niets met kwaliteiten te maken, maar alles met het klassieke familienetwerk van de elite en hun studentencorpora. Gelukkig lijkt die tijd voorgoed voorbij. De baron zal ook tijdens jacht niet zo gauw meer het koren van de boer vertrappen en betaalt zijn rekening in de dorpsherberg.

Maar nog steeds kan de eigenaar van een kasteel in Renswoude zijn kasteel opknappen op kosten van de Kamerikers. Wat die waarschijnlijk niet beseffen, is dat zij – en alle andere Nederlandse belastingbetalers – fiscaal ook op andere manieren bijdragen aan landgoederen, buitenplaatsen en kastelen. Dit verloopt via een web van subsidies en fiscale aftrekposten. Volgens de Natuurschoonwet 1928 krijgt de eigenaar van een landgoed onder bepaalde condities een belastingvoordeel. Nog steeds is driekwart van de 1.100 buitenplaatsen particulier eigendom. Vaak ondergebracht in een stichting, zoals die in Renswoude. Opgericht door de baron die in het kasteel woont.

Hoe zo’n web van subsidies in elkaar zit, valt te lezen in het altijd aardige Jaarboek Achterhoek en Liemers. De eigenaar van een landgoed in de streek klaagt via een artikel over de kosten van het planmatig beheer: „Veel van deze plannen worden uitgevoerd met projectmatige overheidssubsidies (...) Toch is de tijd, nodig voor de meest ingewikkelde en steeds aan verandering onderhevige administratieve eisen van overheid en subsidiegevers, niet te onderschatten, om maar niet te spreken over het moeten opbrengen van een flinke eigen geldelijke bijdrage voor ieder project.” In de rest van zijn stuk noemt hij keurig nog andere vormen van steun. Zo zijn op het landgoed gesubsidieerde medewerkers van de Stichting Particuliere Historische Buitenplaatsen en Buitenbeheer Gelderland werkzaam en is onderhoud van het interieur en exterieur van monumenten, zowel gebouwen als groen, gesubsidieerd. Andere werkzaamheden werden gesubsidieerd met „Europees geld”. Aan het slot pleit de eigenaar voor „structurele subsidies” en een „minder tijdrovende” verantwoording.

Opvallend is de vanzelfsprekende toon die de eigenaar van het landgoed bezigt. Nog steeds zijn er mensen die een feodaal beroep doen op steun voor het „voorvaderlijk erfgoed”, al wordt er soms wat realistischer gesproken van bewoning door „verwante families”, een uitdrukking die doet denken aan seriële monogamie. Markies De Canteclaer van Barneveldt uit de verhalen van Marten Toonder weet waarom: voorvaderlijk erfgoed dient in de familie te blijven. Maar veel erfgoed is even weinig voorvaderlijk als de Drakenburcht die heer Bommel van zijn oliegeld aanschafte en omdoopte tot Bommelstein.

Nationaal, regionaal en lokaal erfgoed betekent meer dan alleen maar het overerfde bezit van een particulier. Die meerwaarde is de voornaamste reden dat de overheid subsidies verleent. Een stichting krijgt geld om een Rembrandt aan de schaffen die we allen kunnen zien, niet om die in het boudoir van een privépersoon op te hangen.

De tuinen van het genoemde Achterhoekse landgoed zijn tegen betaling een paar dagen per jaar te bezichtigen. Fijn voor de bezoekers, maar in principe verschilt deze buitenplaats qua exploitatie niet van de Efteling. Beide zijn immers privé-ondernemingen. Kaatsheuvel is bovendien het hele jaar geopend en niet afhankelijk van subsidie. Een verschil maken tussen ondernemingen omdat de ene een feodaal beroep doet op „voorouderlijk erfgoed”, is niet meer van deze tijd.

Eindelijk lijkt er een consensus te bestaan om de hypotheekrenteaftrek kritisch te bekijken, een regeling die huiseigenaren privilegieert boven huurders. Consequent zou zijn dat ook het web van subsidies en fiscale aftrekposten voor landgoederen, buitenplaatsen en kastelen tegen het licht wordt gehouden. Het uitgangspunt moet daarbij zijn: de gelijkheid voor de wet tussen de Nederlandse burgers. Daarbij bestaan geen feodale privileges, niet voor de adel, de kerk en evenmin voor de nieuwe rijken. Overigens ook geen vormen van omgekeerde klassenjustitie.

En last but not least, in een democratische rechtsstaat dient de overheid behalve het monopolie op geweld ook dat op belastingheffing te bezitten.

August Hans den Boef is essayist en publicist.