'Juist in provinciesteden is de segregatie totaal'

Juist aan randen van steden in de Franse provincie wonen immigranten bijeen in kansloze wijken waar alleen nog gewapende politie komt. ‘Dat schieten is iets nieuws’.

De socioloog Didier Lapeyronnie heeft al veel Franse stadsrellen meegemaakt, maar nu is hij ongerust. Het geweld wordt steeds excessiever. „Dat er gericht op de politie wordt geschoten is echt iets van de laatste jaren.” Hij schrijft de verharding op het conto van ex-president Nicolas Sarkozy. Als minister van Binnenlandse Zaken schafte Sarkozy vanaf 2003 de wijkpolitie af. Sindsdien zien jongeren in de banlieue nog slechts de zwaarbewapende ordepolitie, en rusten zij zich daar volgens Lapeyronnie op toe.

Lapeyronnie, verbonden aan de Sorbonne Universiteit (Paris IV), baarde in 2008 opzien met ‘Ghetto Urbain – segregatie, geweld en armoede in het Frankrijk van nu’. Alleen al vanwege de titel was het boek controversieel. Het getto? Dat is iets uit de Verenigde Staten zeggen Franse onderzoekers, beleidsmakers en politici. Maar volgens Lapeyronnie is het getto in Frankrijk een realiteit.

Niet minder confronterend was zijn stelling dat het getto in zijn meest zuivere vorm niet zozeer is te vinden in de banlieues rond Parijs, als wel in de provincie, aan de rand van betrekkelijk onbetekende steden als Amiens.

Wat is het probleem in de provincie?

„In de voorsteden van grote steden als Lyon, Toulouse en Parijs is de situatie zorgelijk genoeg. Maar er bestaat nog altijd veel uitwisseling tussen de arme wijken en de rijke stadscentra. Provinciesteden liggen vaak zelf al tamelijk geïsoleerd. Ergens langs de rand heb je dan een wijkje waar bijna alleen maar immigranten wonen. De werkloosheid is er nog hoger dan rond de grote steden, terwijl de mogelijkheden om de economische positie te verbeteren voor deze mensen ontbreken. In het centrum hebben ze niets te zoeken en de segregatie is er vrijwel totaal.”

Volgens Lapeyronnie zorgen racisme en werkloosheid ervoor dat mensen geleidelijk opgesloten raken in hun wijk. Daarbinnen geven ze gestalte aan een universum met eigen normen, een eigen economie en soms zelfs een eigen politiek. Dit universum biedt weliswaar bescherming tegen een als vijandig ervaren buitenwereld, maar vormt ook de voornaamste belemmering tot integratie. Lapeyronnie noemt het getto zowel „cocon” als „gevangenis”.

Waarom komen ze in opstand?

„Gevoelens van uitsluiting, onmacht en frustratie blijven overheersen. Dat uit zich in een diep wantrouwen jegens instituties als de school of de politie. Een diploma is allerminst een garantie voor een baan, weten pubers die altijd wel een broer of neef hebben die zijn school heeft afgemaakt, maar werkloos thuis zit.” Het is dan ook niet voor niets dat scholen, openbare bibliotheken of jeugdcentra het moeten ontgelden zodra de vlam eenmaal in de pan slaat.

Wat kunnen politici doen?

„Inmiddels is het geloof in een oplossing vanuit de politiek in de wijken die het aangaat zo goed als verdampt. Daarbij blijkt het uiterst lastig om de spiraal van geweld te doorbreken. Zeker omdat de animositeit vis-à-vis de politie van generatie op generatie doorgegeven wordt, tot op het moment dat het een soort collectieve identiteit geworden is.”

Verandert het optreden van de staat?

„Het patroon is al jaren het zelfde. Er breken ergens rellen uit, die duren een dag of wat, ministers treden naar voren en roepen dat ‘de Republiek niet met zich laat sollen’ of dat ‘de boeven ingerekend zullen worden’, de oppositie beschuldigt de regering van laksheid. En vervolgens gaat iedereen weer over tot de orde van de dag. Zo zal het ook gaan met ‘Amiens’. De hele cyclus is van droefstemmende alledaagsheid.”