In een steeg

Het gebeurde op een wandeling door het zuidelijke stadsdeel Södermalm in Stockholm. De stad is er niet minder levendig dan in het centrum, maar alledaagser, meer bevolkt door de Zweden zelf. We hadden de brug over het water van de Riddarfjärden achter ons gelaten en klommen omhoog door een steeg, Pustegränd geheten, die op de drukke Hornsgatan uitkwam.

Het is een heel gedoe om al die namen met die lastige puntjes over te schrijven, maar u begrijpt dat ik het vooral doe ter verhoging van de authenticiteit van het beschrevene. Bovendien klinkt de Pustegränd bij de Riddarfjärden in Stockholm exotischer dan de Steenstraat aan de Waal bij Nijmegen.

Stockholm is zeker in en rond het centrum een schone, frisse stad en daarom waren mijn vrouw en ik verbaasd toen we in deze steeg opeens een scherpe geur van rottenis roken. We keken om ons heen. Het was inderdaad een verwaarloosde omgeving met veel zwerfvuil en hoog opschietend onkruid langs de kanten. Het was niet duidelijk of er achter de hoge, grauwe gevels iemand woonde, het bleef hier doodstil.

Aan het einde van deze gribus, vlakbij de trap naar de Hornsgatan, bevond zich een kunstzaak, Galleri Tersaeus genaamd. Uit een Zweedse tekst op de deur maakten we op dat de eigenaar tot eind augustus op vakantie was. De zaak was donker en leeg, op één schilderij in de vitrine na.

Mijn adem stokte al bij de eerste blik op het schilderij. Mijn god, wat ’n schilderij!

Ik houd niet alleen van katten, maar ook van kattenschilderijen en dit was ongetwijfeld een van de beste kattenschilderijen die ik ooit had gezien. Het was een kleurig schilderij waarop drie cyperse katten – een grote en twee kleintjes – en een jong, rood-wit katje stonden afgebeeld.

De cyperse katten bevonden zich op een leunstoel, het rood-witte katje stond op een tafel met een vaas bloemen. Een katje op de stoel leek te slapen, maar de andere drie katten staarden gebiologeerd naar een fraaie vlinder die boven hen vloog – nog net buiten klauwbereik. Ze stonden in aarzelende springhouding: zouden ze, zouden ze niet?

Ik kreunde. Zo’n geweldig schilderij in zo’n miserabele omgeving, hoe was het mogelijk? We namen foto’s en ik begon druk te speculeren. Hoeveel zouden ze ervoor vragen? Wat was er met die zaak aan de hand? Waarom hadden ze uitgerekend dit schilderij als enige levensteken achtergelaten? Was dat een bewijs dat ze er een vermogen voor zouden vragen, of was dit het goedkope restant van een failliete boedel?

Daar ging mijn onbezorgde vakantie. De rest van de tijd bracht ik door met het sabbelen op deze onbeantwoordbare vragen. We gingen enkele dagen later weer even kijken. Het stond er nog steeds, begerenswaardiger dan ooit. „Misschien moet ik het vanuit Nederland kopen”, opperde ik. „Zonder het goed te bekijken?” zei mijn vrouw, „het kan wel verrot zijn.” „Ik vlieg terug en neem het risico”, zei ik. Ik wist dat het belachelijk was, maar ik kreeg dat verdomde schilderij niet uit mijn hoofd.

Ik kwam enigszins tot bezinning toen ik op internet zag dat katten met vlinders een nogal bekend thema zijn in de schilderkunst. Misschien had een mislukte Zweedse schilder niet meer gedaan dan een bekend schilderij naschilderen. Daar zou ik pas achterkomen als ik, uitgeput en vele kronen lichter, thuis een deskundige vriend op bezoek kreeg die na één oogopslag genadeloos zou zeggen: „Dat ken ik.”

Ik capituleerde.