Het kapitaal volgens kungfu

Het Shaolinklooster trekt bezoek van kungfu-aficionado’s en zenboeddhisten uit de hele wereld. „Jongeren via kungfu tot Boeddha brengen, daar gaat het om.”

Pagoda Forest bij het Shaolin-klooster. Foto Hollandse Hoogte

Een zweem van ergernis trekt over het ronde gezicht van Zijne Eminentie. Met zijn gemanicuurde vingers tikt Shi Yongxin, abt van het boeddhistische Shaolinklooster in het centraal-Chinese Songgebergte, op de stoelleuning, zacht maar ongeduldig.

„De onschuldigen zullen altijd onschuldig blijven. Ik heb geen tijd om in te gaan op alle geruchten die over ons de ronde doen”, zegt de 43-jarige monnik.

Hij heeft een Chinees wereldmerk gemaakt van het 1.500 jaar oude Kungfuklooster in de provincie Henan. Abt Shi Yongxin is dermate succesvol dat hij in de Chinese media wordt afgeschilderd als een materialistische geldwolf die in het buitenland een paar miljard dollar heeft geparkeerd en tijdens zijn reizen vaak gebruikmaakt van betaalde liefde. Dat hij rondrijdt in een Volkswagen Touareg wordt gezien als bewijs van zijn hypocrisie. De zwarte SUV was een cadeau van de partijleiders van de nabijgelegen stad Dengfeng. Hij staat buiten het zicht van toeristen geparkeerd, onder een oranje-gele quilt.

Het succes van de „chief executive officermonnik”, zoals hij in de partijtabloid Global Times wordt genoemd, heeft de stads- en regionale partijbestuurders op het idee gebracht om van het Shaolinklooster een beursgenoteerd bedrijf te maken.

Geen onlogische gedachte, want het klooster uit 495 hoort, met de Grote Muur en de Verboden Stad, tot de belangrijkste toeristische attracties van China en staat op het vakantieprogramma van iedere familie in de snel uitdijende middenklasse. Voor kungfu-aficionado’s en zenboeddhisten uit de hele wereld is Shaolin wat het Vaticaan is voor katholieken.

Er gaat een magische aantrekkingskracht uit van de 300 Shaolin-monniken die hier proberen door middel van kungfu (opperste concentratie, hoge vaardigheid) een staat van verlichting, wijsheid, blijdschap, van zen dus, te bereiken. „Kungfu is slechts een oefening om gedurende meditatie in absolute stilte werkelijk vredig en vrij te worden”, legt Shi Yongxin uit.

Voor het idee om met vers kapitaal van de ‘Shaolin kungfu-industrie’ een multinational te maken, werden de communistische leiders in provinciehoofdstad Dengfeng geïnspireerd door het Walt Disney-concern. Zo althans staat het in het nieuwe tienjarenplan van de stad. De Dengfeng-bestuurders dromen van de inkomsten uit de mondiale merchandising van kungfu-scholen, -zwaarden, -shows, -beeldjes, -kleren, en -films. En via kookboeken met recepten als ‘Boeddha springt over de muur’ (een soep van ginseng, paddenstoelen en wolfsbessen) of ‘Drie schatten ter verwelkoming van gasten’ (een voorafje van radijs en gedroogde tofu).

„Ondenkbaar en onverenigbaar met onze waarden. Het zou de cultuur van Shaolin ernstige schade berokkenen”, redeneert de abt. Tot in Peking lobbyt hij om de beursgang te laten schrappen uit het plan.

Peinzend raakt hij even met zijn rechterhand aan zijn linkeroorlel. Zijn oorlellen zijn lang, wat volgens het Chinese volksgeloof een teken is van grote wijsheid, veel geluk en een lang leven.

„De moderne wereld wordt geplaagd door vervuiling van het land en van de geest en door de uitbuiting van onze natuur. Er lijkt geen einde te komen aan de jacht op materiële zaken”, zegt de abt tijdens een matineus gesprek in zijn prettig geurende en modern gekoelde woon- en werkvertrekken. Een monnik van nog geen tien jaar oud zorgt ervoor dat de kopjes met thee gevuld blijven. Buiten, op de binnenplaats, wachten groepjes kungfumonniken met gele en blauwe banden geduldig tot het gesprek is afgelopen en zij instructies krijgen van hun meester. Zij oefenen ademhalingstechnieken, ze mediteren. Of ze maken martiale bewegingen en sprongen waarmee zij op de Olympische Spelen makkelijk goud zouden winnen.

Met zijn verzet tegen de plannen van de overheid heeft de abt veel kritiek losgemaakt. Niet onbegrijpelijk, want als er één monnik is die de commercie niet mijdt, dan is Shi het zelf, de enige abt in China met een MBA-bachelor. Dat is ook te merken aan zijn organisatie. Het klooster lijkt op een holding met dochterbedrijven.

Shaolin Assets Management beheert de geregistreerde merknaam Shaolin. Het procedeert tegen iedere dranken- of kledingfabrikant, worstenmaker, sportschool of webdesigner die zonder toestemming en betaling van rechten de naam Shaolin gebruikt. Shaolin Temple Culture Communication maakt films, tv-programma’s, games en websites en verzorgt de drukbezochte optredens van Shaolin-monniken in het buitenland.

En dan zijn er ook nog Shaolin Pharmacy dat medicijnen verkoopt en Shaolin Martial Arts dat de veertig vechtsportcentra in Amerika, Europa en Azië beheert. „Wie onze naam wil gebruiken, moet betalen” zegt de abt zacht. Hij laat zijn paspoort zien met de stempels van de zestig landen die hij in de afgelopen jaren heeft bezocht. Hij is net terug uit Amerika en vertrekt volgende week via Bangkok, waar hij een eredoctoraat in ontvangst gaat nemen, naar Berlijn voor de opening van een Shaolin-centrum.

Op de zondagochtend van het gesprek met Shi is elders in het klooster een internationale filmploeg aan het werk om de eerste 3D-film over Shaolin te maken. Voor filmmakers zijn de eetzaal met de jonge monniken, de gebedsruimtes met walmende potten wierook en de toren met gekromde dakgoten tegen de achtergrond van de Songbergen spectaculaire decors. Abt Shi vervult een rolletje als de wijze meester van een bijzonder getalenteerde vechtmonnik gespeeld door Hollywood-acteur Jason Scott Lee, die in 1993 in Azië beroemd werd met de film Dragon: The Bruce Lee Story.

De taal van de manager is de abt niet vreemd. Misschien komt dat ook doordat hij, naar het voorbeeld van de dalai lama, duurbetaalde lezingen geeft aan topmannen in het bedrijfsleven.

Hij meent: „Commercialisering op bescheiden schaal en buiten het klooster leidt uiteindelijk naar de waarheid van zen, want wij verspreiden op deze manier het boeddhisme. Door kungfu populair te maken bereiken wij jongeren die anders nooit in aanraking zouden komen met zenboeddhisme en nooit de kans krijgen verlichting te zoeken. Jongeren via kungfu tot Boeddha brengen, daar gaat het om”.

Hij voert ook aardse motieven aan. Door de bescherming van de gepatenteerde merknaam en de nationale en internationale activiteiten beschikt de abt over voldoende kapitaal om het klooster in goede staat te houden. Renovatieprojecten vreten geld en dat geldt ook voor de restauratie van eeuwenoude boeken en de huisvesting en het levensonderhoud van de monniken en hun meesters. „Dit alles is zeer goed te verenigen met het boeddhisme. Het Vaticaan heeft toch ook een paar bedrijven en zelfs een bank”, zegt de abt terwijl hij op zijn iPad („een schenking”) zijn agenda raadpleegt.

Zijn grootste vrees is dat het gedaan is met de rust in Shaolin als van het klooster een beursgenoteerd bedrijf wordt gemaakt. Het klooster is overdag geopend voor toeristen. ’s Avonds en ’s nachts is het gesloten. Toeristen worden ’s avonds in de hotels vermaakt met kungfu-demonstraties en meditatiesessies. Bij een nieuw hotel in de bergen is een theater gebouwd waar iedere avond een kitscherige Disney-show met honderden acteurs en actrices wordt opgevoerd.

„Ik wil het volk graag dienen”, zegt de abt, die met die woorden laat blijken het communistische partijjargon te beheersen. „Ik wil ook de traditionele cultuur combineren met nieuwe elementen. Maar niet in het klooster zelf en wel met behoud van onze cultuur”.

Shaolin openstellen voor zang- en dansshows en van de eeuwenoude gebouwen een vijfsterrenhotel maken, dat gaat hem te ver. De geesten moeten zuiver blijven, stelt abt Shi. Het pad naar verlichting mag niet geblokkeerd worden door luide stemmen, vrouwen en alcoholgebruik. Maar ondernemende communisten die, net als elders in China, de smaak van het grote geld te pakken hebben, zijn niet te stuiten. Die krijgen uiteindelijk hun zin, vreest hij.