Zij de privileges, wij de lasten

Stijgende kosten van levensonderhoud voeden het sociaal ongenoegen in Israël. De protesten, elke zaterdag, zijn minder massaal dan vorig jaar, maar grimmiger.

Correspondent Israël

Tel Aviv. Twee liter melk kost in Israël 2 euro 50. Een tube tandpasta: 4 euro, net als een halve liter eenvoudige shampoo. Voor benzine betaal je 1 euro 50 per liter. Voor een cappuccino buiten de deur vaak 3 euro. Een driekamerappartement in Tel Aviv kost maandelijks 1.200 euro aan kale huur.

En kijk dan naar de salarissen. Een kwart van alle Israëlische werknemers (770.000 mensen) verdient maandelijks minder dan 700 euro bruto. De helft van alle Israëlische werknemers verdient minder dan 1.200 euro. Driekwart van alle werknemers verdient minder dan 2.100 bruto per maand.

Het leven in Israël lijkt westers. Maar vergeleken met westerse landen verdienen Israëliërs minder en betalen ze meer. Dertigers krijgen nog financiële steun van hun ouders. Tweeverdieners kunnen geen huis in de stad kopen, voor een vakantie moeten ze lenen bij de bank.

Dus zijn er deze zomer, net als vorig jaar, elke zaterdagavond demonstraties in Tel Aviv.

Net als vorig jaar gaan ze over de verslechterende economische positie van de Israëlische middenklasse, hoge huren en dure boodschappen, marktmonopolies en conglomeraten. Net als vorig jaar gaan ze over het verlangen naar een welvaartstaat naar Europees model, over de kloof tussen burgers en politiek. Net als vorig jaar gaan de protesten over een vaag gevoel van ongenoegen. Harde eisen zijn er niet.

Anders dan vorig jaar, toen er op het hoogtepunt van de protesten in het hele land 400.000 mensen tegelijk de straat opgingen, zijn de demonstranten nu met maar enkele duizenden. Anders dan vorig jaar, toen Israël verrassend verenigd leek door deelname van veel verschillende sociale groepen – ook Palestijnen, Ethiopische joden en ultraorthodoxen deden mee – zijn de demonstranten nu meest blank en seculier én intern verdeeld: vaak vinden tegelijk concurrerende protesten plaats.

Ook nieuw dit jaar zijn de zelfverbrandingen die door de protesten lijken aangewakkerd. Moshe Silman, een vijftiger die door pech in de schulden was geraakt, begon er vorige maand mee. Tijdens een demonstratie in Tel Aviv overgoot hij zich met benzine en stak hij zichzelf aan.

„Ik beschuldig de staat Israël, Bibi Netanyahu [de premier] en Steinitz [minister van Financiën], de klootzakken, voor de vernedering waarmee uitgeputte burgers dagelijks te maken hebben, voor het feit dat zij nemen van de armen en geven aan de rijken”, schreef Silman in een afscheidsbrief.

Silman overleed later aan zijn verwondingen. Op de dag van zijn begrafenis stak de gehandicapte oorlogsveteraan Akiva Mafai (45) zichzelf in brand. Hij voelde zich door de staat in de steek gelaten. Ook hij overleed. De voorbije weken mislukten zeker elf andere pogingen tot zelfverbranding.

Sabo Diab, een 35-jarige marketingmanager, droeg zaterdag een grote lucifer van papier-maché en een bord waarop stond: ‘Waar rook is, is vuur’. Hij bedoelt, zegt hij, dat er een diepere oorzaak is van Silmans dood – die premier Netanyahu afdeed als een „persoonlijke tragedie” – en die van Mafai.

„Wij”, zegt Diab, „de middenklasse, wij dragen het land. Wij betalen belasting. Maar er gaat geen maand voorbij zonder financiële zorgen aan het eind. De middenklasse wordt verpletterd, dus ons land gaat ook kapot.” Zo klonk het ook vorig jaar. Veel demonstranten van toen zijn teleurgesteld afgehaakt.

Het afgelopen jaar is de economische situatie niet werkelijk verbeterd, ondanks beloften en enkele beleidswijzigingen van premier Netanyahu. Hij was de minister van Financiën die in 2003 sneed in de uitgaven van de overheid, vele diensten privatiseerde, de belastingen verlaagde. Sindsdien groeide de sociale ongelijkheid.

Netanyahu lijkt nu niet bereid, of in staat, het sociale vangnet te versterken. Zeker niet nu ook Israël wordt geconfronteerd met de gevolgen van de eurocrisis: er dreigt een groot begrotingstekort. In september wordt de btw met 1 procentpunt verhoogd. Er volgen nog bezuinigingsmaatregelen.

Overheidsuitgaven aan sociale zekerheid (16 procent van het bbp) blijven al achter naar westerse standaarden (22 procent). Daarentegen bedraagt het defensiebudget in Israël zo’n 7 procent van het bbp, vergeleken met gemiddeld 1,5 procent in andere ontwikkelde landen. Bovendien gaf de regering gaf vorig jaar 200 miljoen uit aan de illegale joodse nederzettingen in bezet Palestijns gebied.

De seculiere middenklasse heeft het gevoel dat zij zwoegt voor de privileges van de kolonisten en de ultraorthodoxe joden. De ultraorthodoxen (10 procent van de bevolking) werken vaak niet vanwege hun Bijbelstudie, dienen niet in het leger en krijgen veel kinderen – en subsidie. Daarbij zeggen de demonstranten dat politici de oren laten hangen naar de directeuren van de grote bedrijven.

De middenklasse voelt, kortom, dat er niet naar haar wordt geluisterd. Bij demonstraties verschijnen steeds meer protestborden tegen een aanval op Iran, waar Netanyahu steeds op zinspeelt. De premier heeft geen last van eventuele repercussies, zegt activist Amir Hallel.

„Hij zit hoog en droog in Jeruzalem. Wij in Tel Aviv zijn weer de dupe.”