Te huur: oerbos in Guyana

De bewoners van het indianendorp Surama staan voor een belangrijke beslissing. Gaan ze hun bossen verhuren aan Noorwegen of niet?

In de dichte bossen rondom het indianendorp Surama in Guyana klinkt om de paar seconden een doffe klap. Een stukje bos wordt neergehaald, de kleine boompjes, struiken en varens verbrand. Straks zullen de vrouwen met schoffels komen om het kostgrondje klaar te maken voor cassaveplanten. Vermalen cassavewortels vormen het hoofdingrediënt van de inheemse keuken. Het beste hout nemen de mannen mee naar het dorp. De bevolking van Surama groeit, er zijn nieuwe huizen nodig.

De inwoners van Surama en van de andere dorpen in de omgeving kunnen niet zonder het bos – hún bos. Ze hebben de rechten over het grondgebied gekregen. Hier jagen ze op grote knaagdieren die zich schuilhouden onder de grond, vissen ze in de serene kreken, verbouwen ze hun gewassen, en vinden ze hun medicijnen. Alleen wat ín de bodem zit, zoals olie en goud, is van de overheid.

De indianen van het North Rupununi District leven nauwelijks anders dan hun voorouders vroeger. Althans, nog niet. Want Noorwegen wil deze bossen huren. De Noorse regering is bereid via de REDD-constructie* 250 miljoen dollar te betalen als Guyana de bossen onaangeroerd laat. Omdat bossen kooldioxide opnemen, een broeikasgas, helpen ze om opwarming van de aarde te voorkomen. Door te betalen voor het behoud van het bos wil Noorwegen zijn eigen broeikasgasemissies afkopen. De Noren streven ernaar om in 2030 ‘klimaatneutraal’ te zijn, zonder de gas- en oliewinning op te geven.

Hoe meer de dorpelingen over het project leren, hoe meer vragen ze hebben. Hoe lang moeten de bossen blijven staan? Kunnen zij dat zomaar beslissen voor volgende generaties? Mogen ze zelfs geen kleine stukjes bos meer afbranden voor de landbouw en voor huizen? En zal hun gemeenschap en hun manier van leven veranderen als ze geld ontvangen van westerse landen?

Het is overigens de vraag of de dorpelingen het geld zelf krijgen. De oude bossen van Guyana staan weliswaar voor een groot deel op het land van indianen, maar de overheid vindt dat de inkomsten uit Noorwegen naar de staatskas moeten vloeien. „Maar het is onze grond”, zegt gemeenschapsleider Jacqueline Allicock. „We hebben de rechten over ons land gekregen. Zou het geld daarom niet direct aan ons gegeven moeten worden?” Allicock vertegenwoordigde Surama de afgelopen jaren bij de regering in Georgetown.

Hier in haar dorp drukt ze zich voorzichtig uit. Als vertegenwoordiger verkondigde ze de mening van de meerderheid van haar gemeenschap. Na lange discussies wordt er gestemd. En iedereen moet gehoord worden. Van de jongeren met hanenkammen en lange ponylokken, afgekeken van internationale voetbalspelers die ook in deze uithoek fans hebben, tot de ouderen, voor wie geld nooit veel waarde heeft gehad.

En zo gaat dat in alle kleine gemeenschappen in het gebied: een democratisch maar traag en fragiel proces. Voorlopig doet men in Surama en omstreken mee. Met hulp van ngo’s en de eerste Noorse aanbetaling brengen ze het gebied in kaart. Je moet eerst weten wat de omvang van het gebied precies is, welk type bomen er staan en hoeveel CO2 die kunnen opslaan. Dan pas weet je hoeveel het bos ‘waard’ is en hoeveel emissierechten er verkocht kunnen worden.

Niet alleen in de binnenlanden van Guyana kan men de gevolgen van het verhuren van het bos moeilijk inschatten. Er zijn ook deskundigen die twijfelen aan het succes van dit soort projecten. Ontwikkelingslanden geven de zeggenschap over hun grondgebied uithanden aan rijke landen, waardoor het lijkt op een moderne vorm van imperialisme. Bosgebieden zijn vaak zo uitgestrekt dat ze moeilijk te controleren zijn. Het systeem is bovendien gevoelig voor corruptie; ambtenaren kunnen bijvoorbeeld omgekocht worden door illegale houtkappers.

Maar ook de critici zien de noodzaak om zaken te doen met nationale overheden. Alleen zo kan voorkomen worden dat binnen de landgrenzen op de ene plek een stuk bos tegen betaling blijft staan, terwijl elders de bossen gewoon verdwijnen.

Tenslotte is nog onduidelijk wat het complexe systeem op de lange termijn waard is. Kun je oerbossen wel overlaten aan de grillen van de markt?

„Maar wat is het alternatief?”, vraagt Allicock. „Het hout is veel geld waard. De bomen staan goudwinning in de weg. Brazilië wil de enige weg die door het gebied naar Georgetown loopt asfalteren voor een betere bereikbaarheid van Guyana’s haven. Dan zullen meer mensen het tot nog toe moeilijk bereikbare gebied binnenstromen.”

De weg loopt dwars door het aan Surama grenzende natuurpark Iwokrama. Iedereen die het park binnenkomt, wordt door de politie gecontroleerd. Wie te laat een volgend checkpoint passeert, heeft waarschijnlijk goud gezocht of bomen gekapt. Die politiecontrole kost veel geld. „Wij bezitten een hulpbron waar we geld voor willen. Of jullie betalen ons voor het behoud van biodiversiteit of we verkopen het bos aan Maleisische houtkapbedrijven”, zei Dane Gobin, uitvoerend directeur van Iwokrama.

REDD lijkt daarom een redelijk alternatief, reageert Marieke Wit. Ze werkt voor de onderzoeksinstelling Tropenbos International, die zich onder andere in Guyana inzet voor gereguleerde kleinschalige houtwinning. „Iedereen vindt bosbehoud belangrijk, maar niemand wil ervoor betalen. Door het aan de CO2-markt te koppelen kan er geld mee verdiend worden.”

Iwokrama is vooralsnog goed beschermd, maar achter de noordelijke hekken van het park zijn direct de sporen van houtkappers en mijnbouwers te zien. Met grote advertentieborden langs de weg doet Guyana een oproep: ‘Guyana verwelkomt buitenlandse investeerders in de mijnbouw.’