Net-niet uitvinder van koude kernfusie

Onbeperkte energie uit een bekerglas met water. Koude kernfusie was de droom van Martin Fleischmann, maar die spatte uiteen.

Martin Fleischmann in 1989 bij de onthulling van koude kernfusie.

Als Martin Fleischmann gelijk had gehad, leefden we nu in een andere wereld. Eentje zonder zorgen over het klimaat, zonder oorlogen om olie en zonder dodelijke ongelukken in kolenmijnen. Het klinkt te mooi om waar te zijn; en het was ook niet waar. De claim die chemicus Fleischmann en zijn voormalige promovendus B. Stanley Pons in 1989 maakten, deugde niet.

In een pot met water waarin twee elektroden staken, hadden de chemici een overmaat aan energie geproduceerd. De bron daarvan was een kernfusieproces, stelden zij.

Want: de elektrische stroom die tussen de elektroden liep, maakte in het water positief geladen waterstofkernen vrij. Die werden daarna opgenomen in de kathode (één van de twee elektroden) die van palladium was gemaakt. En in dat palladium zouden waterstofkernen dan versmelten zoals tijdens kernfusieprocessen in de zon gebeurt. Maar nu dus op een keukentafel en bij kamertemperatuur. ‘Koude kernfusie’ werd dat al snel genoemd.

De boude claim paste bij Fleischmann die borrelde van de ideeën en die volgens sommige collega’s de ‘meest innovatieve elektrochemicus op aarde’ was. Maar het wetenschappelijke tijdschrift Science schreef ook dat Fleischmann snel op zijn ideeën was uitgekeken. Hij testte ze ‘quick and dirty’ en liet precisieonderzoek daarna aan anderen over.

Werd dát hem bij de koude kernfusie fataal? Met Pons had hij er vanaf 1983 aan gewerkt. Ze hadden er zelfs 100.000 dollar eigen geld in gestoken en hun proeven vaak herhaald.

Het ging mis toen ze hun werk naar buiten brachten: niet via een wetenschappelijke publicatie, maar tijdens een persconferentie. Overmoedig riep Fleischmann daarna ook nog dat de eerste koude kernfusiefabriek 300 biljoen dollar waard zou zijn. De twee haalden talloze voorpagina’s en werden op het congres van de American Chemical Society met een staande ovatie ontvangen.

Maar bij een lezing, niet veel later, op het Europees instituut voor deeltjesfysica, CERN, overheerste al de scepsis. Fysici wezen erop dat bij het geclaimde kernfusieproces neutronen vrijkomen, die de twee bij al die proeven ziek hadden moeten maken. Bij replicaties vond ook niemand aanwijzingen voor kernfusie – wel voor warmteproductie die men nu aan andere oorzaken toeschrijft.

Zo kwam een einde aan de wetenschappelijke loopbaan van Fleischmann, die op 19 maart 1927 werd geboren in toenmalig Tsjechoslowakije, en als elfjarige met zijn familie het naziregime ontvluchtte. Hij promoveerde aan het Imperial College in Londen en deed zijn koude-kernfusiewerk met Pons aan de universiteit van Utah (VS). Na 1989 werkte Fleischmann net als Pons nog een paar jaar voor een Frans dochterbedrijf van Toyota. Op 3 augustus, overleed hij, 85 jaar oud, thuis in Engeland. Hij laat zijn vrouw Sheila Flinn en twee kinderen achter.