Knutselen met dolfijnenwervels

Twee mannen in korte broek steken onverschrokken een watertje over in een kustlandschap. De een is blootsvoets, de ander heeft de schoenen en kniekousen nog aan.

Natuurvorsers zijn het: ze zijn uitgerust met verrekijkers en dragen een op een stok gestoken schedel tussen zich in. Detail: ze roken, respectievelijk een sigaret en pijp.

Op de achterkant van de archieffoto staat ‘De tuimelaarschedel wordt huiswaarts gedragen’ en met potlood ‘In Weer en Wind 1940 pag. 251’.

Het tafereel intrigeert me. Dankzij de luxe van een (papieren!) bibliotheek binnen handbereik, heb ik het tijdschriftartikel waarin de archieffoto staat afgebeeld snel gevonden.

Het staat in jaargang 4, nummer 8, van In weer en wind – maandblad voor natuurliefhebbers en is getiteld ‘De Slufter en de Eendracht, door F. Niesen’. Het verhaalt wijdlopig over het natuurgenot tijdens een excursie op Texel in juni 1940.

Een van de deelnemers, met hoed op de foto, is de bekende, reislustige natuurpublicist Jan P. Strijbos (1891-1983). Hij vertoont in de Slufter grote belangstelling voor het skelet van een aangespoelde tuimelaar (Tursiops truncatus), een dolfijnensoort die tot 1970 langs de Nederlandse kust voorkwam, maar nu in de Noordzee slechts op één plaats langs de Schotse kust weet stand te houden.

De schrijver wijdt er de volgende passage aan: ‘Van het skelet hebben we nog een paar wervels, ten dele als bewijsmateriaal, ten dele om er later een kaarsenstandaard van te maken, verzameld, en op de terugtocht hebben we nog de schedel opgehaald en mee naar huis gesleept [...] zwaar rokende, om de lucht uit de neus te houden.’

Kennelijk stonk de tuimelaarschedel en dat verklaart waarom de natuurliefhebbers zich paffend lieten fotograferen.

Het gebruik om van dolfijnenruggenwervels kaarsenstandaards te maken kende ik niet. Wel vond ik in de collectie van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam een vergelijkbaar knutselwerkje: twee bruinviswervels zodanig op een plankje geschroefd dat de doornuitsteeksels als kapstokhaken fungeren.

De maker, de Rotterdamse zeezoogdierkenner Anton B. van Deinse (1885-1965), vond de wervels op het strand van Zandvoort op 25 juli 1929. Hij verfraaide zijn werkstuk met keurig in partjes gezaagde tussenwervelschijfjes.