Het geestige ijlen van een melaatse

Tv-series uit de jeugdjaren laten sterke herinneringen na. In een serie op dinsdag kijken redacteuren terug. Rosan Hollak zag inThe Singing Detective de humor van kleinschalig sadisme.

Mark Binney (Patrick Malahide) speelt een licht sadistische verleider in de detectiveroman van Philip Marlow.

Sugar... toots...blessed nicotine... Het waren woorden die ik eind jaren tachtig soms hardop uitsprak. Zo vaak had ik The Singing Detective gezien dat ik hele zinnen uit de serie voor mij uitprevelde. „Coffee or Ovaltine?” imiteerde ik de licht sadistische hoofdzuster White (Imelda Staunton) die haar patiënten op de afdeling van het ziekenhuis drankjes en pillen opdrong. Terwijl ‘noddy’ – het oude mannetje met de ziekte van Parkinson uit alle macht co... co... co... co... stamelde, verloor White alweer haar geduld en zette met een klap een kopje Ovaltine (Brits moutdrankje) voor zijn neus. Kleinschalig sadisme. Heerlijk.

The Singing Detective, de Britse serie met het briljante scenario van de in 1994 overleden schrijver Dennis Potter, werd in 1986 voor het eerst in Engeland op zondagavond door de BBC uitgezonden. De VPRO zond het programma het jaar daarop ook uit in Nederland. Thuis keken wij er met het gezin naar, iedere uitzending werd bovendien op de video opgenomen.

In de jaren daarna speelde ik vaak opnieuw de afleveringen af. The Singing Detective had iets wat ik nog nooit eerder op televisie had gezien. Het was maf, fantasierijk, absurd, zat vol melancholische ouderwetse liedjes en, bovenal, droop van de inktzwarte humor. Vooral sterk waren de sarcastische opmerkingen van hoofdpersoon Philip Marlow (Michael Gambon), een derderangs detectiveschrijver die wegens een verschrikkelijke vorm van psoriatische artropathie (een chronische huid- en gewrichtsaandoening) aan bed ligt gekluisterd op een ziekenzaal vol gekken en gemankeerde figuren. Ik huiverde bij de aanblik van Mr. Adams, de lelijkste patiënt van de afdeling die de hele dag in zijn bed lag te jammeren en ik verkneukelde me om het gezeur van Mr. Hall die, op een te hard fluisterende toon, de zuster om de ondersteek vraagt en zijn buurman Reginald afzeikt.

Verrassend was ook hoe Potter op ingenieuze wijze drie verschillende verhaallijnen met elkaar wist te verweven. Niet alleen volg je de kleinburgerlijke verschrikkingen op de afdeling van het ziekenhuis, ook krijg je een spannend detectiveverhaal voorgeschoteld dat wordt uitgesponnen in het hoofd van de hulpeloze Marlow. En er wordt, door middel van flashbacks, een beeld geschetst van de jeugd van de jonge Philip op het Engelse platteland.

Bovenop dit alles verzon Potter nog een vierde laag waarbij de ijlende Marlow – trapped in his own skin and bones – allerlei waanbeelden heeft waarbij personages uit zijn jeugd ineens opduiken aan zijn ziekenhuisbed of terugkomen in zijn detectiveverhaal. Het was een verwarrend spel waarvan Potter later ook wel eens heeft gezegd: „Een detectiveverhaal roept allerlei vragen op, maar vaak krijg je geen antwoorden.”

Toch waren het uiteindelijk die ziekenhuisfragmenten die een enorme indruk op mij maakten. Het gegeven dat mensen gevangen zitten op dezelfde afdeling en gek worden van elkaars aanwezigheid, deed me gruwelen en lachen tegelijkertijd. Alle kleinzieligheid die in de mens schuilt, werd door Potter samengebracht in die deprimerende, steriele ruimte. Met als grootste slachtoffer de intelligente Marlow, die al die pettiness dag in dag uit moet verduren.

Wreed is bijvoorbeeld de scène waarin de dementerende ‘noddy’ Marlow aanziet voor een voormalige geliefde en midden in de nacht bovenop de schurftige schrijver klimt, terwijl hij uitroept „Mabel, where were you!”

Nog wreder is de scene waarin Marlow door de aantrekkelijke zuster Mills (Joanne Whalley) van top tot teen met een soort vet moet worden ingesmeerd. In paniek bij de gedachte aan een mogelijke erectie probeert Philip allerlei onaantrekkelijke beelden voor zijn geestesoog te toveren: „O roede, verhef u niet”, smeekt hij inwendig. Vervolgens somt hij op: „Een speech van Ted Heath, een mannenkoor in Wales, lonen in Peru, iedere Ier, Australische barkeepers.”

Zijn inspanningen blijken, uiteraard, vergeefs en de gepikeerde zuster laat Marlow beschaamd achter. En zo zijn er meer hilarische, doch pijnlijke fragmenten, die, door de absurditeit van de situatie, typerend zijn voor het soort gortdroge humor waar de Britten patent op hebben.

Door het zien van The Singing Detective ging ik me later wat meer verdiepen in Potter. Ik kwam erachter dat hij was doorgebroken met de tv-serie Pennies from Heaven (1978) en vernam dat de schrijver zelf ook leed aan psoriatische artropathie. Zo hevig zelfs was de ziekte van de schrijver dat op zijn 27ste zijn handen binnen een week geheel waren kromgetrokken en hij een pen aan zijn hand moest vastbinden om te kunnen schrijven. Daarnaast bleek dat hij in zijn jonge jaren was misbruikt door zijn oom, waar hij een ambivalente kijk op seksualiteit aan had overgehouden.

Die kennis maakte dat ik weer anders ging kijken naar de scènes waarin Marlow, na een zoveelste uitval tegen de arrogante dokters, een gesprek voert met de psycholoog. Woedend wordt de patiënt wanneer de zielenknijper hem wel eens even zal laten weten wat hem nou werkelijk mankeert. „Zonden, kwade gedachten en slechte karaktertrekken komen direct via de huid naar buiten”, redeneert de man. Volgens de psycholoog heeft Marlow last van een bovenmaatse afschuw van alle vleselijke lusten. Daarom slaat hij iedereen van zich af. „Zoals een melaatse uit de Bijbel die heel hard ‘onrein’ roept.” De zielenknijper meent dat hij Marlow uit zijn lijden kan verlossen. „Ik kan je helpen”, zegt hij vergenoegd. Waarop Marlow droogjes antwoordt: „Ja. Met 100 slaappillen graag.”

De boodschap die Potter via dit soort scènes uitdraagt, lijkt simpel: maak vooral een grote grap van alle menselijke tekortkomingen. En gebruik zwaktes om ze tot krachten om te vormen. Dat is wat Marlow probeert te doen. In feite is hij te gevoelig voor de wereld waarin hij leeft. Hij lost dat op door alles van een sarcastisch commentaar te voorzien, maar uiteindelijk toont hij wel degelijk hart voor zichzelf en de ander. Zoals op het moment dat hij de artsen smeekt eindelijk eens naar hem te luisteren. „Als ik nu niet zeg dat ik het niet meer aankan, zal ik deze ziekte nooit..nooit..nooit kunnen overwinnen”, snikt hij. En op het moment dat zijn Pakistaanse buurman Ali naast hem huilend verkondigt dat hij nooit meer het ziekenhuis zal verlaten. „Heus, mijn bruine vriend, ooit zullen we samen een papadam delen”, zegt Marlow troostend. Waarna een opgevrolijkte Ali hem een snoepje aanreikt en vervolgens een fatale hartaanval krijgt. Dat dan weer wel.

Zwart blijft het leven, ook al moet je het omarmen. Of, zoals Marlow op een gegeven moment in ijlende toestand prevelt: „De kapitein slaapt... Het schip drijft stuurloos de duisternis in. We’re lost... all of us... lost.”