Duitse wroeging over leed in Afrika

William Kentridge, installatiefoto ‘Black Box’, miniatuurtheater (detail). Foto John Hodgkiss. Deutsche Guggenheim

William Kentridge, Black Box. T/m 25 nov in het Joods Historisch Museum, Amsterdam. Inl: www.jhm.nl

Schuldgevoel, onmacht – de William Kentridge-tentoonstelling Black Box in het Joods Historisch Museum is er volledig van doortrokken. Dat begint al met Kentridge zelf. Opgegroeid in Zuid-Afrika als zoon van een rijke, blanke anti-apartheidsadvocaat moet hij vaak hebben beseft dat zijn positie zowel bevoorrecht als onrechtvaardig was.

Tegelijk was het waarschijnlijk door die achtergrond dat Kentridge in 2005 van de Deutsche Bank de opdracht kreeg een kunstwerk te maken en hij er vervolgens voor koos een uiterst pijnlijke episode uit de Duitse geschiedenis tot onderwerp te nemen: de slachting, in het huidige Namibië, door Duitse troepen, van het Herero-volk. Daarbij kwamen tussen 1904 en 1908 zo’n 80.000 Herero om – ze werden doodgeknuppeld, doodgeschoten of stierven van honger en dorst doordat de Duitsers ze zonder drank en voedsel de woestijn in joegen.

Het feit dat de Deutsche Bank Kentridges werk zonder morren accepteerde zegt waarschijnlijk veel over het formaat van het (huidige) Duitse schuldgevoel. Nu Black Box (2005) opnieuw wordt getoond, kun je je daar veel bij voorstellen.

Het werk heeft weliswaar een loodzwaar onderwerp, het is ook, en vooral, een prachtige, rijke, zeg maar gerust levendige installatie die je als toeschouwer betovert. Dat komt in de eerste plaats door de opvallende vorm: Kentridge bouwde een klein coulissentheater (zo’n anderhalve meter breed, een voorstelling per uur) waarin mechanische poppen optreden tegen een collage-achtige achtergrond van gefilmde en getekende taferelen (Kentridge is vooral bekend als tekenaar en animator).

In het theatertje worden teksten uit kranten geprojecteerd, tekeningen van Kentridges hand, maar ook stukken oude film, bijvoorbeeld van twee vroeg twintigste-eeuwse jagers die onhandig maar triomfantelijk een prachtige neushoorn doodschieten – het dier spartelt met zijn logge lijf nog minutenlang na.

Het mooie aan de installatie is dat Kentridge het opvallend open houdt – zeker voor zijn doen, enig moralisme is hem niet vreemd. De beelden zijn zo poëtisch en de muziek zo abstract dat je de concrete achtergrond van het Herero-verhaal er nauwelijks uit haalt. Dat is in dit geval geen zwakte, omdat daar tegenover staat dat Kentridges algemene thema’s daardoor des te duidelijker door naar boven komen.

Zoals veel van zijn werk gaat Black Box in de eerste plaats over de pogingen van de mens de wereld naar zijn hand te zetten: voortdurend duiken camera’s op en cijfers en tabellen – een van de mechanische poppen is een passer. Maar belangrijker is nog wel dat de mens daarbij in Kentridges visie uiteindelijk gedoemd is te falen. Hoeveel we ook meten en weten, lijkt hij te willen zeggen, daarmee voorkomen we niet dat we onze medemensen uitbuiten, kwetsen of vermoorden – waarbij de link naar de Duitse ‘genocidecultuur’ via een achterdeur opnieuw de kop opsteekt.

Toch is dat niet de grootste kracht van het werk. Die zit er juist in dat Kentridge door de ongrijpbare vorm, de manier waarop hij zijn eigen tekeningen in de animaties voortdurend weer uitgumt en de manier waarop hij de grilligheid van geschiedenis verbeeldt, laat zien dat ook hij als kunstenaar met een virtuoos tekentalent de vorm noch de inhoud van zijn werk volledig naar zijn hand kan zetten. Ook Kentridge zelf worstelt.

Daardoor is Black Box uiteindelijk net zozeer een vertoon van onmacht en gebrek aan beheersing als Kentridge zijn personages laat doormaken.

Die kwetsbaarheid en bescheidenheid sieren Kentridge en maken Black Box tot een bijzondere ervaring.