Digitale klopjacht op eenwonderkind

Kort achter elkaar werden twee bekende Amerikaanse journalisten betrapt op plagiaat. Bij het ontmaskeren van de fraude speelde het internet een grote rol.

Ombudsman

Bob Dylan gaf de doorslag.

De onthulling dat hij in zijn nieuwe boek een citaat van de beroemde zanger had verzonnen, bezegelde het lot van Jonah Lehrer (31), auteur van bestsellers over het menselijk brein en creativiteit. Hij moest zijn baan bij The New Yorker eraan geven. Het boek, Imagine: How Creativity Works, werd uit de handel genomen.

Altijd dramatisch, de val van een jong genie. En kennelijk ook mooi om te zien. Het enthousiasme op internet was groot.

Meteen na Lehrer volgde het demasqué van politiek commentator Fareed Zakaria, die in een column een passage had overgenomen uit een artikel van een ander; geen stilistisch hoogstandje of een briljante ingeving, maar een droge opsomming van jaartallen. Maar dat kon absoluut niet, lieten Zakaria’s opdrachtgevers CNN en Time weten: zowel de taal als de inhoud van een column moet ‘origineel’ zijn. Zakaria bood handenwringend excuses aan voor die inbreuk op andermans auteursrecht („Een verschrikkelijke fout”) en werd geschorst door zowel CNN als Time.

Wat zijn dit voor publicitaire koningsdrama’s? Licht hysterische afrekeningen met beroemdheden, een triomf van nobele fact checkers, digitaal ramptoerisme? Of iets van alles?

Bij Zakaria, die in conservatieve kringen geldt als een liberal, spelen ook politieke motieven een rol. Zijn plagiaat werd ontdekt door de National Rifle Association en aan de grote klok gehangen door de rechte site Newsbusters, die als motto hanteert: „Linkse partijdigheid in de media onthullen en bestrijden.” Dat neemt niet weg dat het overschrijven van de bewuste passage oliedom - of arrogant - was van de ervaren journalist en oud-columnist van Newsweek. En onnodig: hoeveel moeite is het om een bron bij zo’n feitelijke alinea te zetten?

Bij Lehrer ligt het anders. Politiek speelde in zijn zaak geen rol, hij maakte ook meer dan één fout. Toen het verzonnen Dylancitaat opdook, lag hij al onder vuur wegens ‘zelfplagiaat’. Hij had geregeld eigen teksten gerecycled voor stukken in uiteenlopende media. Ook in zijn boeken doken vrijwel letterlijk passages op uit stukken die hij had geschreven voor The Wall Street Journal, Wired en The Guardian.

Een Bobkenner beet zich vervolgens vast in één (weinigzeggend) citaat van Dylan dat hij in Lehrers nieuwste boek aantrof, maar dat hem niet bekend voorkwam. De schrijver draaide en kronkelde, maar biechtte uiteindelijk op dat hij het citaat uit zijn duim had gezogen. Einde verhaal. Ironisch, vonden andere Dylanologen: als er iemand is die in zijn geschriften sjoemelt met biografische feiten en anekdotes – dan is het wel His Bobness zelf. Maar die is een kunstenaar en geen journalist.

De genadeloze manier waarop Lehrer werd gefileerd, kreeg de trekjes van een hetze. Onder een vernietigend stuk op de site Reluctant Habits (www.edrants.com) verschenen om de paar uur hijgerige updates. Lehrers werkgever The New Yorker wist niet hoe snel correcties moesten worden geplaatst bij zijn wegens ‘zelfplagiaat’ omstreden artikelen.

Zakaria, op zijn beurt, was al eens beschuldigd van ‘plagiaat’ omdat hij in een column had verwezen naar „een interview” met de Israëlische premier Netanyahu, zonder erbij te zeggen dat het niet door hemzelf was gehouden. Ook kreeg hij kritiek omdat hij in 2012 voor twee universiteiten hetzelfde praatje had gehouden bij de diploma-uitreiking.

Je kunt een paar lessen trekken uit deze kleine maar heftige drama’s.

Allereerst: internet, ooit door een hoofdredacteur van NRC Handelsblad treffend bestempeld als een kruising „tussen Spielerei en intellectuele zelfbevrediging”, heeft zich ontpopt tot een machtig wapen voor plagiaatonderzoek én digitale inquisitie. Bijna alles is er te vinden, te checken en te vergelijken. Geen wonder dat het web bruist van bona fide onderzoekers, maar ook krioelt van ontmaskeraars in spé die leugens en manipulatie in ‘de media’ aan de kaak willen stellen.

Ook dat kan een vorm van Spielerei zijn, natuurlijk. Maar het kan ook menens worden.

Burgerinitiatieven om de media te controleren zijn in het algemeen nuttig en soms zelfs noodzakelijk. Amerikaanse kranten hebben jarenlang bezuinigd op hun eindredacties, wat volgens critici ten koste is gegaan van hun betrouwbaarheid. Sommige kranten roepen hun lezers nu nadrukkelijk op, om fouten te signaleren, een manier om lezers te binden, maar ook een vorm van redactionele outsourcing.

Die kritische en oplettende lezers bewijzen de media een dienst, en daarmee de samenleving en de kwaliteit van het publieke debat. Ook universiteiten maken inmiddels steeds meer gebruik van de nieuwste software die het internet afgraast op zoek naar plagiaat in scripties van studenten en in publicaties.

Alleen, die mogelijkheid om eindeloos te spitten en vergelijken kan ook digitale drijfjachten aanwakkeren, uit allerlei motieven – tot en met plezier in het omlaaghalen van bekendheden die het gemaakt hebben in de ‘gevestigde media’. Live by your media, die by ours.

Zat Lehrer dan niet fout? Ja, hij zat fout.

Dat je geen citaten mag verzinnen of andermans werk mag plunderen, daarover is iedereen het wel eens. Maar Lehrers sympathisanten namen het nog wel voor hem op omdat hij werd beticht van ‘zelfplagiaat’. Dat is zoiets als „eten stelen uit je eigen koelkast”, merkte een van hen op. Daarover vallen, getuigt van „hysterie van amateurs” die niet weten hoe boeken gemaakt worden. Het auteursrecht van de passages die hij hergebruikte in zijn boek, berust ook bij hem, aldus zijn uitgever.

Collega-bestsellerauteur, Malcolm Gladwell ging nog wat verder. Hij vond het geen punt dat Lehrer een passage aan hem had ontleend en al helemaal niet dat hij zijn eigen teksten letterlijk hergebruikte. „Ik zie het nut er niet van in om aan mijn eigen woorden te gaan prutsen, puur en alleen om aan mijn eigen woorden te prutsen”, vond Gladwell, schrijver van onder meer The Tipping Point. In een eerder stuk had hij al eens aangedrongen op een meer ontspannen omgang met het ‘lenen’ van woorden – zolang je maar niet elkaars ideeën steelt.

Toch is dat te simpel. Natuurlijk, iedereen die een boek maakt put uit ouder materiaal, daar is niets mis mee. Of zou een leraar ook elk jaar voor elke nieuwe klas een andere grap moeten verzinnen? Maar wat Lehrer deed, ging wel iets verder: hij maakte er een methode van. Systematisch bleken dezelfde teksten zonder verantwoording of significante aanpassing op te duiken in nieuwe publicaties. En dan niet een paar losse zinnen of een geslaagde opmerking, maar complete passages.

Ook dat is nog lang niet zo erg als plagiaat, vond een reaguurder op Reluctant Habits, maar het is wel een vorm van bedrog. „Omdat je doet alsof iets nieuw is, terwijl het dat niet is, in een context waarin mensen dat wel van je verwachten.” Er kan dan ook sprake zijn van materiële schade voor een uitgever, die immers dacht een nieuw boek te hebben uitgegeven, maar een knipselmap in handen bleek te hebben.

Dat is ook het verschil met, bijvoorbeeld, het bezoeken van een conference of een popconcert. Mensen betalen dan juist om wél oud werk te horen, een verwachting waarmee sommige artiesten – zoals Bob Dylan – het trouwens knap moeilijk hebben.

Hoe is het zover gekomen met het jonge talent? Dat is voer voor psychologen, maar toch ook voor de uitgevers, hoofdredacteuren en praatprogramma’s die Lehrer na zijn doorbraak aanspoorden en op zijn huid zaten voor telkens méér. Ook de omnipresente Zakaria had een overvolle agenda met deadlines voor columns, essays, interviews, lezingen en boeken. Dat heet dan de tol van de roem.

Zoiets gaat goed, totdat het fout gaat, zeker als je politieke of literaire vijanden hebt.

Zo werd Lehrer een instant wonderkind dat ook instant ten val kwam.